Met genoegen las ik in de recente brief van de Staatssecretaris van Financiën van 26 april 2023 dat hij voornemens is om onderlinge vorderingen en schulden tussen echtgenoten in box 3 te defiscaliseren.

Onmiddellijk gingen mijn gedachten toen terug naar de vergoedingsrechten tussen echtgenoten van art. 1:87 BW die bij de (vorige) herziening van het huwelijksgoederenrecht in 2012 is ingevoerd. Voor wie minder bekend is met deze regeling: Art. 1:87 BW geeft de echtgenoot die de aanschaf van een goed door de andere echtgenoot (deels) financiert, (in zoverre) recht op de waardeontwikkelingen van dat goed.

Al vrij snel na invoering van deze regeling rees de fiscale vraag of de financierende (vergoedingsgerechtigde) echtgenoot dan wellicht een economisch belang kreeg bij het gefinancierde goed, zodat die echtgenoot wellicht als ondernemer, eigenwoningbezitter, resultaatgenieter of aanmerkelijkbelanghouder moest worden aangemerkt. Inmiddels bepaalt art. 5e AWR dat dit niet zo is. De financierende echtgenoot heeft niet een voor de belastingwet "relevant belang" bij het onderliggende goed of bestanddeel. Dus geen ondernemer, eigenwoningbezitter, resultaatgenieter of aanmerkelijkbelanghouder.

Maar dit was maar een deel van de fiscale problematiek. Het andere deel betrof de fiscale verwerking van de schuld bij de vergoedingsplichtige echtgenoot. Die schuld volgt bij hem immers de fiscale kwalificatie van het goed dat ermee is gefinancierd, en kwalificeert dus (in beginsel, los van eventuele bijkomende voorwaarden) als ondernemingsschuld, eigenwoningschuld, werkzaamheidsschuld of aanmerkelijkbelangschuld. Bij de financierende echtgenoot behoort de vordering zonder uitzondering tot de rendementsgrondslag in box 3. Dit mismatcht dus, waardoor er vragen opkomen of de niet-financierende echtgenoot de vergoeding mag aftrekken als 'rente' op zijn ondernemingswinst, eigenwoninginkomen, werkzaamheidsresultaat of aanmerkelijkbelanginkomen. Deze problematiek was destijds niet nieuw, want kenden we al van de overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen krachtens erfrecht. Die zijn in art. 5.4 Wet IB 2001 gedefiscaliseerd, nadat de schuld op grond van (art. 3.95 lid 1 jo.) art. 3.16 lid 10, art. 3.119a lid 6 onderdeel d en art. 4.15 lid 2 Wet IB 2001 naar box 3 'is gestuurd' (via art. 2.14 lid 3 onderdeel a Wet IB 2001). Dit laatste ontbreekt echter met betrekking tot de vergoedingsschulden van art. 1:87 BW. Wat de toenmalige Staatssecretaris van Financiën er overigens niet van heeft weerhouden om in de wetsgeschiedenis te vermelden dat de vergoedingsplichtige echtgenoot de schuld toch in box 3 mag aangeven (Kamerstukken II 2013/14, 33753, nr. 3, p. 42), waardoor vordering en schuld salderen tot nihil. Op welke wettelijke bepaling(en) dat was gebaseerd, zei hij er niet bij overigens. Dat kon ook niet, want die is(zijn) er niet.

Sinds 2023 is hier nu als probleem bij gekomen dat voor de vordering en de schuld in box 3 (ik volg maar even het staatssecretariële standpunt) een verschillend forfaitair rendement geldt, waardoor in box 3 effectief belastingheffing resulteert. Het forfaitaire rendement voor vorderingen is immers hoger dan dat voor schulden. Dat is voor deze vergoedingsrechten tussen echtgenoten natuurlijk uiterst onwenselijk. Dus toen ik in de brief van 26 april 2023 (zie V-N 2023/20.3) las dat vorderingen en schulden tussen echtgenoten zullen worden gedefiscaliseerd, ging bij mij de vlag uit (in deze tijd van het jaar niet ongebruikelijk trouwens). Moet alleen nog wel even wettelijk goed worden geregeld dat de vergoedingsschuld bij de vergoedingsplichtige echtgenoot in box 3 terecht komt. Laten we die misslag van de staatssecretaris nu gelijk van een deugdelijke wettelijke basis voorzien.

En by the way, nu we toch aan het defiscaliseren zijn, defiscaliseer dan ook gelijk de alimentatie tussen ex-echtgenoten (zie mijn Uitvergroot in V-N 2021/49.0)!

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Box 3

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

251

Gerelateerde artikelen