Hof Den Haag oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van zodanige omstandigheden dat sprake is van een buitensporige last. Hierbij moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met de box 3-heffing maar met de gehele financiële situatie. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X geniet in 2016 en 2017 een inkomen van circa € 38.000 en zijn partner circa € 17.000. X is het niet eens met de door hem verschuldigde box 3-heffing. Volgens X is sprake van een individuele en buitensporige last.

Hof Den Haag (V-N 2021/54.1.1) oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat voor X sprake is van een buitensporige last. Hierbij moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met de box 3-heffing maar met X' gehele financiële situatie. Gezien het inkomen van X en Y van circa € 56.000 en het feit dat in 2016 de box 3-heffing niet hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, is voor 2016 geen sprake van een buitensporige last. Voor 2017 is dat ook niet het geval, ondanks het feit dat de box 3-heffing hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. X en Y hoeven namelijk niet in te teren op hun vermogen om de box 3-heffing van € 11.093 te voldoen. De aanslagen blijven in stand. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

Lees ook het thema: Box 3.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 1

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Box 3

Instantie: Hoge Raad

191

Gerelateerde artikelen