Aan belanghebbende, X, is een aanslagbiljet 2019 opgelegd met daarop een aantal WOZ-beschikkingen en OZB-aanslagen. X maakt bezwaar en voegt daarbij een kopie van het aanslagbiljet waarop alleen de WOZ-beschikkingen van twee adressen zichtbaar zijn, de overige adressen zijn weggelakt. Op 2 augustus 2019 doet de heffingsambtenaar uitspraak op het bezwaar tegen die twee WOZ-beschikkingen. X informeert later naar de uitspraak voor twee andere adressen. Op 1 september 2020 laat de heffingsambtenaar weten dat hij van mening is dat tegen deze adressen geen bezwaar is gemaakt. Hij geeft aan dat het niet mogelijk is om voor de tweede maal uitspraak op bezwaar te doen. Op 9 oktober 2020 gaat X in beroep. Rechtbank Midden-Nederland verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het geschil.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard omdat sprake is van een schriftelijke weigering van de heffingsambtenaar om een beslissing te nemen. Er is een patstelling ontstaan nu de heffingsambtenaar weigert uitspraak te doen voor twee objecten omdat hij meent dat tegen deze objecten nooit bezwaar is gemaakt. Om adequate rechtsbescherming te bieden aan X wijst het hof de zaak terug naar de heffingsambtenaar met de opdracht om een voor beroep vatbaar besluit te nemen voorzien van een rechtsmiddelverwijzing. Als de heffingsambtenaar van mening blijft dat geen bezwaar is gemaakt, dan dient hij het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
Wetsartikelen:
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 5 september
Informatiesoort: VN Vandaag