Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de ereschulden niet in aftrek komen op de nalatenschap omdat zij niet rechtens afdwingbaar zijn. Ook zijn de uitkeringen aan de neven en de nicht geen schenkingen of giften als bedoeld in art. 4:126 lid 1 BW.

C overlijdt in 2017 zonder testament. Haar broers, waaronder X, zijn haar erfgenamen. In de aangifte erfbelasting neemt X op dat aan enkele neven en een nicht ieder een legaat van minder dan € 2129 is uitgekeerd en brengt dit in mindering op de nalatenschap. Volgens X is er sprake van ereschulden die zijn ontstaan doordat het gedrag van de neven en nicht hebben bijgedragen aan het levensgeluk van C en dat dit de wil van C was. De inspecteur accepteert de aftrek van de uitkeringen aan de neven en nicht niet.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de ereschulden niet in aftrek komen op de nalatenschap omdat zij niet rechtens afdwingbaar zijn. Ook zijn de uitkeringen aan de neven en de nicht geen schenkingen of giften als bedoeld in art. 4:126 lid 1 BW. Daarvoor is namelijk vereist dat zij zijn gedaan door (of namens) C, voorafgaand aan het overlijden onder de opschortende voorwaarde van het overlijden. Dat deze schenkingen of giften in overeenstemming zijn gedaan met de wil van C is niet van belang. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Successiewet 1956 20

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Editie: 31 december

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  246
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen