X en zijn oom exploiteren sinds 1995 in maatschapsverband een melkveebedrijf. In september 2020 wordt de maatschap beëindigd en verkrijgt X de volledige economische en juridische eigendom van alle onroerende zaken. X voldoet hiertoe op aangifte (uiteindelijk) € 22.960 en in 2022 is € 5740 nageheven. X beroept zich op de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV 1970. Volgens X is het bedrijf al meer dan 200 jaar in de familie. Zijn oom heeft nimmer een leidinggevende positie gehad en het is altijd de bedoeling geweest dat X het bedrijf zou overnemen. Volgens Rechtbank Gelderland is er bewust voor gekozen om de vrijstelling niet te verruimen naar verkrijgingen door neven en nichten. X stelt in hoger beroep dat de feitelijke leiding eerst van zijn grootvader is overgegaan naar zijn moeder en vanaf 1995 naar hem.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het betoog van X dat het melkveebedrijf (in)direct van zijn grootvader is verkregen en dat het bedrijf tijdelijk bij de oom is ‘geparkeerd’ feitelijke grondslag mist. Het staat namelijk vast dat het bedrijf in 1983 door de grootvader alleen aan de oom is overgedragen. De vrijstelling geldt bewust alleen voor een specifieke groep van verkrijgers binnen een afgebakende familiekring. Er is geen reden om de wettelijke regeling wegens strijd met algemene rechtsbeginselen en/of ander ongeschreven recht buiten toepassing te laten.
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 19 maart
Informatiesoort: VN Vandaag