Stichting X betwist de WOZ-waarde 2021 van haar schoolgebouw. Rechtbank Den Haag stelt de WOZ-waarde vast op de door X bepleite waarde. In hoger beroep verdedigt X een nog lagere waarde, onderbouwd met een taxatie waarin wordt afgeweken van de kengetallen uit de Taxatiewijzer Onderwijs, met name door toepassing van negatieve restwaarden. Hof Den Haag oordeelt dat degene die afwijkt van de taxatiewijzer de gronden daarvoor moet stellen en aannemelijk maken. Nu X daarin niet slaagt, blijft de door de rechtbank vastgestelde waarde in stand.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof in hoger beroep terecht, zij het op onjuiste gronden, heeft geoordeeld dat op X de last rust om te bewijzen dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat X is afgeweken van de kengetallen in de Taxatiewijzer. Nu X de richtsnoeren met betrekking tot de restwaarde niet als uitgangspunt heeft aanvaard, bestaat echter geen grond om reeds daarom de stelplicht en bewijslast bij haar te leggen (vgl. HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234, V-N 2026/9.28). Niettemin is de door het hof toegepaste bewijslastverdeling juist, omdat de heffingsambtenaar geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld. Wanneer de partij die geen hoger beroep heeft ingesteld, in eerste aanleg niet is geslaagd in het bewijs van haar waardestelling, dan wordt dat oordeel in hoger beroep als gegeven beschouwd. Het hof moet in dat geval de eerste stap uit het beslisschema van het Oostflakkee-arrest overslaan. Dat betekent dat op X – die voor het hof een lagere waarde bepleit dan de waarde die de rechtbank in overeenstemming met het door X bepleite standpunt heeft vastgesteld – in hoger beroep moet bewijzen dat de waarde op een lager bedrag moet worden vastgesteld. Het middel van X kan dus – hoewel terecht voorgesteld – niet tot cassatie leiden.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 23 maart
Informatiesoort: VN Vandaag