Aan X is door de gemeente Rotterdam een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 68,30 opgelegd, bestaande uit € 1,80 voor één uur parkeren en € 66,50 aan kosten. Volgens Rechtbank Rotterdam had de heffingsambtenaar rekening moeten houden met het gereduceerde Stop & Shop-tarief van € 0,10 voor de eerste 30 minuten, zodat de aanslag wordt verlaagd tot € 67,50. X stelt in hoger beroep dat de kostenraming van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen te ruim is.
Hof Den Haag oordeelt dat de kostenraming voldoet aan de gestelde eisen. De maatstaf voor de toerekenbaarheid van de kosten is per 1 juli 2019 verruimd. De heffingsambtenaar maakt aannemelijk dat de betwiste kostenposten, zoals het uit coulance niet opleggen van aanslagen en het afboeken van oninbare aanslagen, meer dan slechts zijdelings verband houden met het innen van niet betaalde parkeerbelastingen. X heeft geen aangifte gedaan, zodat uit een redelijke verdeling van de bewijslast volgt dat hij moet bewijzen dat zijn auto bij de constatering van het verzuim er niet langer dan één uur stond (vgl. conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2025:801, V-N 2025/41.13). Het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond.
Wetingang:
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 maart
Informatiesoort: VN Vandaag