Hof ’s-Hertogenbosch beslist dat de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht zijn opgelegd omdat fictieve bedragen aan voorbelasting in aftrek zijn gebracht. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (art. 80a Wet RO).

Bij een boekenonderzoek blijkt dat ondernemer, X, voor de jaren 2009 en 2010 voorbelasting heeft teruggevraagd en ontvangen. Omdat zijn computer in het jaar 2010 crashte, kan hij niet verklaren waarop die voorbelasting betrekking had. Over de jaren 2011 en 2012 heeft X valse facturen opgemaakt om daarmee voorbelasting terug te ontvangen. Over 2013 en 2014 is voorbelasting teruggevraagd, zonder onderbouwing met facturen. Gevolg zijn de in geschil zijnde naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2009 en tot en met 2014 en een boetebeschikking. X komt uiteindelijk in hoger beroep.

Volgens Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2018/60.1.8) kan de inspecteur niet worden tegengeworpen dat hij eerder had moeten ingrijpen dan hij daadwerkelijk heeft gedaan. Partijen zijn het er in dat geval over eens dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Dat X niet in staat is de teveel teruggevraagde en ontvangen voorbelasting terug te betalen, is niet van invloed op de hoogte van de naheffingsaanslagen. De inspecteur heeft op de zitting verklaard dat de boetebeschikking vernietigd moet worden. In die zin is het hoger beroep gegrond.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (art. 80a Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f

Algemene wet inzake rijksbelastingen 20

Wet op de omzetbelasting 1968 15

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Omzetbelasting, Bronbelasting

Editie: 22 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

  483
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen