De Hoge Raad oordeelt dat iemand die bezwaar maakt tegen een aan een ander opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting moet uitleggen waarom hij bevoegd is bezwaar te maken.

Een gemachtigde maakt namens de belanghebbende, X, bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. X is de feitelijk parkeerder van de desbetreffende auto, maar niet de kentekenhouder. De naheffingsaanslag is opgelegd aan Y, de kentekenhouder van de auto, waarvoor de parkeerbelasting niet is betaald. De heffingsambtenaar heeft aan de gemachtigde van X bericht dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan Y en tot tweemaal toe verzocht een machtiging over te leggen, waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder in de procedure op te treden. Na uitblijven van de juiste machtiging verklaart de heffingsambtenaar van Regionale Belasting Groep het bezwaar niet-ontvankelijk. Pas in beroep neemt X de stelling in dat zij het was die de auto heeft geparkeerd.

De Hoge Raad oordeelt dat iemand die bezwaar maakt tegen een aan een ander opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting moet uitleggen waarom hij bevoegd is bezwaar te maken. Als de naheffingsaanslag is opgelegd aan de kentekenhouder en een ander daartegen bezwaar maakt met de stelling dat hij feitelijk parkeerder van de auto was, zal de heffingsambtenaar in het algemeen moeten uitgaan van de juistheid van deze stelling. In dit geval heeft X echter niet gesteld dat zij feitelijk parkeerder was en bood het dossier hiervoor ook geen aanknopingspunt. De heffingsambtenaar mocht het bezwaar onder die omstandigheden niet-ontvankelijk verklaren. Het is ook mogelijk, zo overweegt de Hoge Raad ten overvloede, dat een belanghebbende pas in beroep of hoger beroep de stelling inneemt dat hij in de hoedanigheid van bestuurder opkomt tegen de naheffingsaanslag die is opgelegd aan de kentekenhouder. Net zoals de heffingsambtenaar in bezwaar zal de rechter in het algemeen moeten uitgaan van de juistheid van die stelling. Als deze stelling echter leidt tot een gegrond (hoger) beroep, dan zal dit doorgaans een bijzondere omstandigheid zijn die maakt dat de proceskosten niet vergoed worden.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Gemeentewet 234

Gemeentewet 225

Instantie: Hoge Raad

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Bronbelasting

Editie: 1 april

Carrousel: Carrousel

  885
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen