De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijslast ten onrechte bij X BV heeft gelegd. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat X BV zowel in eerste aanleg als voor het hof de toepassing van de taxatiewijzer met betrekking tot de restwaarden bestrijdt.

X BV exploiteert als huurder een kinderdagverblijf in een voormalige kerk. In geschil is de WOZ-waarde van € 357.177 voor 2019, zijnde de gecorrigeerde vervangingswaarde. Volgens Hof Den Haag wil X BV voor wat betreft de restwaarden van de ruwbouw, afbouw en installaties afwijken van de betreffende taxatiewijzer, zodat zij daarvoor de gronden moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. X BV slaagt hier niet in. X BV gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijslast ten onrechte bij X BV heeft gelegd. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat X BV zowel in eerste aanleg als voor het hof de toepassing van de taxatiewijzer met betrekking tot de restwaarden bestrijdt. Er is dus geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rust (zie HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234, V-N 2026/9.28). Volgt verwijzing naar Hof Amsterdam, die moet beoordelen of de WOZ-waarde niet te hoog is, conform r.o. 5.2 en 5.3 van het voormelde arrest.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 17

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 23 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

40

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen