X is eigenaar van een woning met bijbehorende opstallen en grond. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op € 784.000 en legt de aanslag onroerendezaakbelastingen 2021 op. Na bezwaar, zonder X te horen, verlaagt de heffingsambtenaar de waarde tot € 772.000. X stelt beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaart, de uitspraak op bezwaar vernietigt en de zaak terugwijst naar de heffingsambtenaar. X gaat in hoger beroep. Terwijl het hoger beroep loopt, verlaagt de heffingsambtenaar na een telefonische hoorzitting de waarde verder tot € 699.000 bij een nieuwe uitspraak op bezwaar. In geschil is of de heffingsambtenaar tijdens het lopende hoger beroep opnieuw uitspraak op bezwaar over de WOZ-beschikking mag doen.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat artikel 27h lid 3 AWR in samenhang met artikel 30 lid 1 Wet WOZ meebrengt dat hoger beroep de werking van de rechtbankuitspraak opschort. De heffingsambtenaar mag daarom de terugwijzing door de rechtbank nog niet uitvoeren en geen nieuwe uitspraak op bezwaar nemen. Het hof verklaart het hoger beroep, voor zover gericht tegen deze nieuwe uitspraak op bezwaar, gegrond en vernietigt die uitspraak. De heffingsambtenaar kan pas na het onherroepelijk worden van de hofuitspraak opnieuw op het bezwaar beslissen.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 30
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27H
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Waardering onroerende zaken
Editie: 4 februari
Informatiesoort: VN Vandaag