Art. 13a BvdB 2001 en vrijwel alle Nederlandse belastingverdragen voorzien in een bijzondere heffingsregel voor arbeidsinkomsten van bemanningsleden die hun dienstbetrekking uitoefenen aan boord van een zee- of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd. Deze bijzondere bepaling heeft geen betrekking op internationaal wegtransport. Dit antwoordt staatssecretaris Snel van Financiën op Kamervragen van het lid Lodders (VVD).

Deze bijzondere regeling sluit aan bij internationaal gebruikelijke regels. Het opnemen van een van het OESO-modelverdrag afwijkende bepaling in een verdrag zal niet snel door een verdragspartner worden aanvaard. Volgens de staatssecretaris blijkt uit de praktijk dat de algemene regels voor de toewijzing van heffingsbevoegdheden over het algemeen ook goed werken voor internationaal opererende vrachtwagenchauffeurs. In het algemeen heeft de belastingplichtige met de belastingdiensten van twee landen (het woonland en het land waar de vervoersonderneming is gevestigd) te maken.

Het lid Lodders heeft gewezen op de problematiek van langdurig onopgeloste dubbele belasting voor een aantal Nederlandse vrachtwagenchauffeurs in dienst van Noorse vervoersbedrijven. Hierover lopen een aantal onderlinge overlegprocedures met Noorwegen waarbij de behandeltermijnen zijn opgelopen. Hierover wordt op korte termijn met Noorwegen overlegd.

[Nieuwsbron] [Nieuwsbron]

Rubriek: Internationaal belastingrecht

Regelgevende instantie: Ministerie van Financiën

Editie: 12 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

  366
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen