1. Uitstel van betaling diverse belastingen

Bijgewerkt op 29 november 2021, 09.00 uur

Ondernemers konden tot 1 oktober 2021 bijzonder uitstel van betaling aanvragen voor diverse belastingen. De voorwaarden voor het aanvragen van bijzonder uitstel van betaling waren wegens de coronacrisis versoepeld. Aanvankelijk alleen voor vier soorten, maar de lijst is later uitgebreid.

Vanaf 1 oktober 2021 staat dit versoepelde uitstel niet meer open. Maar vanaf 1 oktober 2021 kunnen ondernemers toch nog in specifieke gevallen uitstel van betaling krijgen tot en met 31 januari 2022. Door de oplopende coronabesmettingen heeft kabinet daarnaast voor het vierde kwartaal van 2021 aanvullende steunmaatregelen afgekondigd. Dit alles wordt hierna beschreven onder ‘Uitstel vanaf 1 oktober 2021’.

Belastingsoorten
Het versoepelde uitstel geldt voor de volgende belastingen en heffingen:

  • inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen;
  • loonheffingen;
  • vennootschapsbelasting;
  • omzetbelasting (btw);
  • kansspelbelasting;
  • assurantiebelasting;
  • verhuurderheffing;
  • milieubelastingen (energiebelasting/opslag duurzame energie- en klimaattransitie, kolenbelasting, afvalstoffenbelasting, belasting op leidingwater);
  • accijns (minerale oliën, alcohol en tabak);
  • verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken;
  • inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet
  • BPM voor vergunninghouders (vanaf tijdvak mei 2020).

De dividendbelasting is expliciet uitgezonderd van het versoepelde uitstelbeleid, omdat het uitkeren van dividenden de liquiditeitspositie van bedrijven juist verzwakt. Het kabinet roept bedrijven op voorlopig geen dividenden uit te keren. Ook zijn de omzetbelasting (btw), de accijnzen, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de kolenbelasting voor zover deze belastingen worden geheven met toepassing van de douanewetgeving ter zake van de invoer uitgezonderd.

Na ontvangst (naheffings)aanslag
Iedere ondernemer die door de coronacrisis in financiële problemen is gekomen komt in aanmerking voor uitstel van betaling van zijn belastingschuld. Uitstel kan worden aangevraagd nadat aangifte is gedaan en een (naheffings)aanslag is ontvangen.

Een verzoek om uitstel van betaling dat gedaan wordt vóórdat er een (naheffings)aanslag is opgelegd, kan de Belastingdienst niet in behandeling nemen en moet opnieuw worden ingediend. Maar voor een vijftal belastingsoorten hoeft niet per belastingsoort een aanslag te zijn ontvangen, dan volstaat één belastingaanslag.

De ondernemer geeft per belastingsoort aan of hij uitstel van betaling wil. Behalve voor de inkomstenbelasting, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, vennootschapsbelasting, loonheffingen en omzetbelasting (btw). Voor deze vijf kan in één keer tegelijk uitstel van betaling worden aangevraagd. Wachten totdat voor alle vijf aanslagen zijn opgelegd is niet nodig, één aanslag is voldoende. De ondernemer kan desgewenst een ontvangen belastingaanslag betalen, als hij het uitstel niet nodig heeft.

Ontvangt de ondernemer een aanslag voor een belastingsoort waarvoor hij nog geen uitstel heeft aangevraagd, dan moet voor die belastingaanslag nog wel apart uitstel worden gevraagd.

Per online formulier of brief
Het uitstel kan zowel met een online formulier als per brief worden aangevraagd. 

Voor de eerste keer bijzonder uitstel aanvragen kan tot 1 oktober 2021. Na die datum is het niet meer mogelijk van deze bijzondere uitstelregeling gebruik te maken.  

Heeft een ondernemer al bijzonder uitstel en loopt dat af vóór 1 oktober 2021, dan hoeft sinds 30 augustus 2021 geen verlenging van dat bijzonder uitstel meer te worden aangevraagd. Het bijzondere uitstel loopt automatisch door tot 1 oktober 2021, voor alle belastingen waarvoor de ondernemer bijzonder uitstel heeft.

Online
De onlinemogelijkheid staat alleen open voor uitstelverzoeken van maximaal drie maanden. Het online formulier 'Verzoek bijzonder uitstel van betaling voor 3 maanden' staat op de website van de Belastingdienst. De toegang is beveiligd met DigiD. Ook als de onderneming een rechtspersoon is moet het DigiD (van een werknemer of fiscaal dienstverlener) gebruikt worden. Het Digid gebruikt de Belastingdienst alleen voor de toegang, het wordt verder niet opgeslagen.

Schriftelijk
Het verzoek om uitstel van betaling kan ook schriftelijk worden ingediend door een brief te sturen naar:

Belastingdienst
Postbus 100
6400 AC Heerlen

Betalingsuitstel
Vanaf het moment dat de ondernemer zich meldt, wordt de invordering van zijn belastingschulden voor de aangevraagde belastingen direct stopgezet, voor de termijn dat de ondernemer in zijn verzoek heeft gedaan, maar uiterlijk tot 1 oktober 2021. Dat geldt ook voor belastingschulden die al zijn ontstaan voordat de coronacrisis uitbrak. De inhoudelijke beoordeling door de Belastingdienst van het verzoek vindt pas later plaats. Dat betekent dat de ondernemer feitelijk meteen uitstel van betaling krijgt.

Het verzoek hoeft ook maar eenmalig te worden gedaan. Het uitstel geldt voor reeds opgelegde aanslagen vanaf de dagtekening van het verzoek om uitstel van betaling en alle nog op te leggen aanslagen in de daaropvolgende maanden dat het betalingsuitstel geldt. Daarnaast geldt het uitstel totdat de Belastingdienst op het uitstelverzoek beslist.

Langer dan drie maanden
Mogelijk is uitstel van betaling voor drie maanden voor ondernemers nog te kort. Ondernemers kunnen ook voor een langere periode dan drie maanden uitstel aanvragen.

Bij het verzoek moet de ondernemer de omstandigheden aangeven waardoor zijn onderneming door de coronacrisis is getroffen en langer uitstel noodzakelijk is. Bijvoorbeeld omdat de omzetcijfers, opdrachten, bestellingen of reserveringen aanzienlijk zijn gedaald ten opzichte van vorige maanden. Ook kan hij aan de hand van recente jaarstukken aannemelijk maken dat zijn onderneming voorafgaand aan de coronacrisis levensvatbaar was. Deze gegevens moet de ondernemer binnen de periode van drie maanden aanleveren. Ook moet voor de belastingschuld waar uitstel voor wordt gevraagd voldaan zijn aan de aangifteplicht.

Verbod op dividend, bonussen en inkoop eigen aandelen
Bij een uitstel van langer dan drie maanden moet de ondernemer verklaren dat geen bonussen worden uitgekeerd aan de Raad van Bestuur en de directie van de onderneming, geen dividend wordt uitgekeerd en geen eigen aandelen worden ingekocht in de periode vanaf het indienen van het uitstelverzoek tot en met de datum van de vergadering waarin de jaarrekening wordt vastgesteld in 2021.

Onder bonussen worden mede begrepen winstuitdelingen en andere betalingen die kenmerken van bonussen hebben. Deze voorwaarde ziet niet op bonussen, dividenden en aandelen waarvan de uitbetaling en inkoop na het uitstelverzoek plaatsvindt, maar de daaraan ten grondslag liggende beslissing in 2019 is genomen.

Totale belastingschuld tot € 20.000
Als de totale belastingschuld op het moment dat de Belastingdienst het uitstelverzoek ontvangt lager is dan € 20.000, volstaat het schriftelijke verzoek. Een verklaring van een zogenoemde derde-deskundige is niet nodig.

Totale belastingschuld vanaf € 20.000
Bij een totale belastingschuld vanaf € 20.000 moet wel een verklaring van een derde-deskundige worden overgelegd. De derde-deskundige moet verklaren dat het aannemelijk is dat de financiële problemen hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.

Een derde-deskundige is bijvoorbeeld een externe consultant, een externe financier, een branche-organisatie of de belastingadviseur of accountant van de ondernemer. Het mag niet iemand uit de eigen onderneming zijn of een persoon die (objectief bezien) deskundigheid mist.

De verklaring van de derde-deskundige is vormvrij en moet inhoudelijk in ieder geval de volgende elementen bevatten:

  • Een verklaring dat aannemelijk is dat er sprake is van werkelijke betalingsproblemen op het moment van het verzoek om uitstel of naar verwachting op korte termijn daarna. Bij “korte termijn” valt te denken aan de periode waarin de coronabeperkingen van het kabinet voor desbetreffende ondernemer gelden (bijvoorbeeld sluiting van de horeca, sportaccommodaties en het verbod op evenementen).
  • Een verklaring dat aannemelijk is dat deze betalingsproblemen hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.
  • Een liquiditeitsprognose die volgens de derde-deskundige plausibel is. Deze prognose is opgesteld aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van het indienen van het verzoek om uitstel van betaling bekend zijn.
  • In de toelichting bij de verklaring geeft de derde-deskundige aan welke documenten of gegevens door de ondernemer zijn verstrekt, zo nodig voorzien van een nadere toelichting. Een zogenoemde assuranceverklaring die aangeeft dat de ondernemer voldoet aan de voorwaarden is niet vereist.

Geen boete
De behandeling van verzoeken om uitstel van betaling moet handmatig plaatsvinden, zodat behandeltijden kunnen oplopen indien veel verzoeken binnenkomen. Om ondernemers tegemoet te komen legt de Belastingdienst de verzuimboete voor het niet (tijdig) betalen niet op of draait deze terug. Het gaat om betalingsverzuimen begaan in de periode van 12 maart 2020 tot aan de datum dat het bijzonder uitstel van betaling eindigt.

Ondernemers hoeven de boete dus niet te betalen en ook geen bezwaarschrift tegen de boete in te dienen, als zij toch een belastingaanslag met boete ontvangen. De boete wordt ambtshalve door de Belastingdienst vernietigd.

Het komt echter ook voor dat ondernemers niet tijdig hebben kunnen betalen door de coronacrisis, maar dat hun financiële positie tegen de tijd dat zij de naheffingsaanslag ontvangen zodanig is verbeterd dat zij op dat moment geen nader uitstel van betaling meer nodig hebben en dus ook niet officieel uitstel van betaling hoeven aan te vragen. De Belastingdienst vernietigt ook in die gevallen de betalingsverzuimboete, mits de ondernemer de naheffingsaanslag tijdig betaalt. Bezwaar maken tegen de betalingsverzuimboete is niet nodig. 

Zodra het bijzonder uitstel van betaling eindigt, gaat de Belastingdienst ook weer betalingsverzuimboetes opleggen, die op tijd betaald moeten worden. De tijdelijke versoepeling rond de betalingsverzuimboetes vervalt per 1 oktober 2021. Het niet op aangifte afdragen van bijvoorbeeld loonheffingen of omzetbelasting (btw) over het belastingtijdvak september 2021, wordt dan weer volgens het reguliere beleid beboet.

Schriftelijke ontvangstbevestiging
De Belastingdienst stuurt na ontvangst van het uitstelverzoek een schriftelijke ontvangstbevestiging. De belastingschuldige ontvangt maar één ontvangstbevestiging, ook als het uitstelverzoek bedoeld is voor meerdere aanslagen. Door de oplopende behandeltijden kan verzending enige tijd op zich laten wachten.

Melding betalingsonmacht
De Belastingdienst heeft het beleid omtrent de melding betalingsonmacht gewijzigd. Doet iemand – in zijn functie als bestuurder van een commerciële onderneming die een rechtspersoon is en onder de vennootschapsbelasting valt – het uitstelverzoek voor loonheffingen en/of omzetbelasting (btw), dan beschouwt de Belastingdienst het uitstelverzoek ook als een tijdige melding betalingsonmacht. De melding wordt bovendien rechtsgeldig geacht, tenzij achteraf blijkt dat de betalingsonmacht niet hoofdzakelijk verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis.

De melding hoeft dus niet meer afzonderlijk te worden gedaan. Het nieuwe beleid geldt voor aangiftetijdvakken die eindigen na 1 februari 2020. De Belastingdienst beoordeelt de melding betalingsonmacht en koppelt daarover apart terug.

Samenloop met andere uitstel
De Belastingdienst beoordeelt het verzoek om bijzonder uitstel van betaling los van een reeds eerder verleend verzoek of tegelijkertijd lopend verzoek om uitstel van betaling op andere gronden.

Geen verrekening
Gedurende de periode dat het bijzondere uitstel van betaling loopt en ook nadien gedurende de periode dat de betalingsregeling loopt, verrekent de Belastingdienst geen belastingteruggaven met de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend. Er wordt wel verrekend als de ondernemer hierom verzoekt of de belangen van de Staat worden geschaad. Rechten bij invoer worden wel verrekend.

Geen uitstel
De Belastingdienst verleent geen bijzonder uitstel van betaling en trekt een verleend bijzonder uitstel van betaling weer in als de belangen van de Staat zich tegen (verder) uitstel verzetten. Dit is onder meer het geval als gevreesd wordt voor misbruik van de situatie waardoor verhaalsmogelijkheden in gevaar komen.

Verlenging verkregen uitstel
Als het verkregen uitstel voor drie maanden voor 1 oktober 2021 afloopt en de ondernemer had behoefte aan verlenging, dan diende hij dat apart aan te vragen. Sinds 30 augustus 2021 hoeft dat echter niet meer, het uitstel loopt sindsdien automatisch door tot 1 oktober 2021.

Een door de Belastingdienst verleende verlenging geldt totdat de Belastingdienst dit intrekt. Verlengd uitstel wordt in ieder geval per 1 oktober 2021 ingetrokken. Had een ondernemer eerder al verlenging gekregen dan geldt het uitstel automatisch tot 1 oktober 2021.

Intrekking uitstel
Het verleende bijzondere uitstel van betaling heeft een tijdelijk karakter. De Belastingdienst trekt het in zodra de omstandigheden dit mogelijk maken, maar uiterlijk per 1 oktober 2021.

Vanaf de intrekking van het uitstel moeten lopende fiscale verplichtingen, zoals de afdracht van omzetbelasting (btw) en loonheffingen, weer worden nagekomen.

Tot 1 oktober 2021
Het versoepelde uitstelbeleid gold aanvankelijk tot 19 juni 2020. Maar het kabinet heeft deze einddatum verschillende keren verschoven naar uiteindelijk 1 oktober 2021. Voor de eerste keer uitstel van betaling aanvragen kan nog tot 1 okotber 2021. 

Het bijzondere uitstel van betaling wordt per 1 oktober 2021 ingetrokken. 1 Oktober 2021 is ook het moment waarop ondernemers de betaling van hun nieuw opkomende fiscale betalingsverplichtingen moeten hervatten. Voor bijvoorbeeld de loon- en omzetbelasting betekent dit dat de belasting over het laatste belastingtijdvak voor 1 oktober 2021 tijdig moet worden voldaan. Het tijdig voldoen aan de nieuw opkomende verplichtingen is een voorwaarde voor het recht op de betalingsregeling (zie hierna), die twaalf maanden later, op 1 oktober 2022 gaat lopen.

Uitstel vanaf 1 oktober 2021
Sommige ondernemers kunnen ook na 1 oktober 2021 nog te maken hebben met liquiditeitsproblemen die hoofdzakelijk zijn ontstaan door de coronacrisis. Deze ondernemers kunnen uitstel van betaling vragen tot en met 31 januari 2022 voor belastingen die betaald hadden moeten zijn in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022.

Voor deze tijdelijke aanvullende tegemoetkoming gelden de volgende voorwaarden:

  • De ondernemer komt in aanmerking voor de speciale betalingsregeling van 60 maanden (zie hierna).
  • Het nog steeds niet kunnen betalen van belastingen is hoofdzakelijk veroorzaakt door de coronacrisis.
  • De betalingsproblemen zijn van tijdelijke aard en voor een bepaald tijdstip opgelost.
  • De ondernemer voert een levensvatbare onderneming.
  • Voor de belastingen waarvoor het uitstel wordt gevraagd heeft de ondernemer voldaan aan de aangifteplicht.
  • Het gevraagde uitstel heeft betrekking op een of meer belastingen waarvoor het bijzonder uitstel van betaling gold (zie hiervoor onder ‘Belastingsoorten’) .
  • De ondernemer verstrekt een verklaring (bij een belastingschuld vanaf € 20.000 af te geven door een derde-deskundige) die het voor de Belastingdienst aannemelijk maakt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. De verklaring bevat een beoordeling van de aard van de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk van de waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten en omstandigheden.
  • Het verzoek moet uiterlijk 31 januari 2022 schriftelijk zijn gedaan.

De belastingschuld die door deze tijdelijke aanvullende tegemoetkoming ontstaat kan de ondernemer ook onder toepassing van de hierna vermelde betalingsregeling aflossen.

Een verzuimboete opgelegd wegens een betalingsverzuim begaan tussen 1 oktober 2021 en 31 januari 2022 hoeft niet te worden betaald, mits het hiervoor vermelde uitstel van betaling is verleend.

De Belastingdienst beoordeelt het verzoek om uitstel van betaling los van een reeds eerder verleend verzoek of tegelijkertijd lopend verzoek om uitstel van betaling op andere gronden. Uitstel van betaling op grond van deze tijdelijke aanvullende tegemoetkoming wordt niet verleend en een verleend uitstel wordt weer ingetrokken als de belangen van de Staat zich tegen (verder) uitstel verzetten.

Aanvullende maatregelen vierde kwartaal 2021
Medio november 2021 heeft het kabinet opnieuw beperkende maatregelen afgekondigd tegen de oplopende coronabesmettingen. Het kabinet onderkent dat daardoor de tijdelijke aanvullende tegemoetkoming niet voor alle ondernemers voldoende. Om de liquiditeitsproblemen van deze ondernemers te verlichten verlengt het kabinet het uitstel van betaling van belastingen over het vierde kwartaal van 2021 voor de ondernemers die nog openstaande belastingschulden hebben onder het bijzonder uitstel van betaling vanwege de coronacrisis. Ondernemers hoeven hiervoor geen actie te ondernemen.

Het verlengde uitstel van betaling geldt voor alle belastingen waarvoor het bijzonder uitstel van betaling gold (zie hiervoor onder 'Belastingsoorten') en waarvan de uiterste betaaldatum voor 1 februari 2022 verstrijkt (bijvoorbeeld de kwartaalaangiftes btw over het laatste kwartaal van 2021). Deze belastingschuld wordt opgeteld bij de belastingschuld die vanaf 1 oktober 2022 in 60 maanden moet worden afgelost.
Ondernemers die niet eerder uitstel van betaling vanwege de coronacrisis hadden aangevraagd of inmiddels de uitgestelde belastingschuld volledig hebben voldaan, kunnen door de aanvullende coronamaatregelen (weer) in betalingsproblemen komen. Deze ondernemers kunnen uitstel van betaling aanvragen voor de betaling van hun belastingen over het vierde kwartaal van 2021. Het uitstel van betaling geldt alleen voor belastingschulden die nog niet zijn voldaan. Het uitstel van betaling is namelijk bedoeld om nieuwe betalingsproblemen het hoofd te bieden die kunnen ontstaan vanwege de aanscherpingen van de coronamaatregelen.

Betalingsregeling
Voor de belastingschuld die een ondernemer door het genoten bijzondere uitstel van betaling heeft opgebouwd geldt een speciale betalingsregeling. Het gaat dan om de schuld die is ontstaan in de periode vanaf 12 maart 2020 tot aan de datum dat het bijzonder uitstel van betaling eindigt. Deze einddatum is voor alle gevallen uiterlijk 30 september 2021.

Daarnaast geldt de speciale betalingsregeling voor de belastingschuld die tussen 1 oktober 2021 en 31 januari 2022 is ontstaan, op grond van de hiervoor vermelde tijdelijke aanvullende tegemoetkoming zoals die vanaf 1 oktober 2021 geldt.

De ondernemer moet deze belastingschuld in maximaal 60 maanden volledig aflossen, te beginnen op 1 oktober 2022. De laatste betaaltermijn valt dus pas in 2027, maar eerder aflossen mag ook altijd.

De betalingsregeling kent de volgende uitgangspunten:

  • De belastingschuld wordt in beginsel afgelost in 60 maandelijkse gelijke termijnen.
  • De eerste aflossing moet uiterlijk 31 oktober 2022 zijn overgemaakt, elke volgende termijn vervalt telkens een maand later.
  • Van het betalingsschema kan worden afgeweken als de ondernemer aannemelijk maakt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is in oktober 2022 met aflossen te beginnen. De ondernemer kan in dat geval op een later moment beginnen met aflossen, maar de belastingschuld moet ook dan uiterlijk 1 oktober 2027 volledig zijn afgelost.

Tijdens de betalingsregeling moet de ondernemer zich stipt aan alle nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen – waarvan de invordering aan de Belastingdienst (de ontvanger) is opgedragen – houden. Dit betekent dat de ondernemer tijdig juiste aangiften indient en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen tijdig en volledig nakomt. Maar de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft wel aangegeven dat het al dan niet kunnen voldoen aan de nieuw opkomende betalingsverplichtingen in de periode tot 1 oktober 2022 geen effect heeft op de betalingsregeling van 60 maanden. Ondernemers die in de betreffende periode niet kunnen voldoen aan hun nieuw opgekomen betalingsverplichtingen, kunnen voor hun coronaschulden nog steeds gebruik maken van deze betalingsregeling.

Als blijkt dat een ondernemer gedurende de betalingsregeling vanaf 1 oktober 2022 niet (meer) voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden, mag de Belastingdienst de betalingsregeling weigeren of beëindigen. De ondernemer krijgt eerst nog wel de gelegenheid om alsnog binnen veertien dagen aan de voorwaarden te voldoen.

De betalingsregeling wordt niet toegekend of ingetrokken als de belangen van de Staat zich tegen de betalingsregeling verzetten.

Uiteraard is het ook mogelijk om eerder af te lossen. Als de betalingsregeling loopt, verrekent de Belastingdienst geen belastingteruggaven met de belastingschuld. Ook wordt er in die periode geen zekerheid gevraagd voor de schuld.

Over de belastingschuld brengt de Belastingdienst invorderingsrente in rekening. Het rentepercentage gaat per 1 juli 2022 van 0,01% naar 1% en wordt met stappen van 1% per stap verhoogd naar uiteindelijk 4% per 1 januari 2024 (zie hierna in dit deel van het Dossier Corona).

Sanering
Ondanks de betalingsregeling van 60 maanden voor de opgebouwde belastingschuld, zal niet elke door de coronacrisis getroffen ondernemer zijn (belasting)schulden volledig kunnen aflossen. Het kabinet spant zich daarom in om als onderdeel van het time-out arrangement (TOA) samen met andere schuldeisers, intermediairs en schuldhulpverleners richtlijnen voor een soepelere en efficiëntere behandeling saneringsverzoeken van ondernemers te ontwikkelen.

In samenhang daarmee zal de Belastingdienst aangehouden en vanaf 21 januari 2021 binnenkomende saneringsverzoeken binnen de bestaande wettelijke kaders met een welwillende blik beoordelen. Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek is dat wordt gewogen of de betalingsregeling van 60 maanden niet al voldoende ruimte biedt.

De Belastingdienst zal de verzoeken vervolgens met een welwillende blik bekijken. Dat betekent dat de Belastingdienst bij twijfel een verzoek zal toekennen. De Belastingdienst zal daarnaast de levensvatbaarheid van het bedrijf aannemen als deskundige derden, zoals banken en accountants, daarover al positief hebben geoordeeld.

Aanvullend zal de omstandigheid dat de ondernemer financiële middelen de afgelopen periode niet heeft gebruikt voor het voldoen van belastingschulden geen reden meer zijn voor afwijzing van het verzoek, behalve bij kennelijk misbruik. De ondernemer moet wel zoals gebruikelijk alle benodigde informatie verstrekken.

Ten slotte zullen gevallen waarin sanering wenselijk is, mede gelet op de levensvatbaarheid van het bedrijf, maar het beleid ondanks de hiervoor geschetste soepele toepassing knelt, centraal binnen de Belastingdienst worden beoordeeld. Voor individuele situaties biedt maatwerk dan mogelijk uitkomst.

Het kabinet wil in de kern gezonde bedrijven met een problematische schuldenlast extra ondersteunen door in specifieke situaties voor een afgebakende periode saneringsakkoorden kansrijker te maken.

Onder huidig beleid stemt de Belastingdienst als preferente schuldeiser pas in met een saneringsakkoord als het te ontvangen deel van de belastingschuld minimaal het dubbele percentage bedraagt van hetgeen aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen wordt uitgekeerd.

In opdracht van het kabinet stelt de Belastingdienst zich tijdelijk soepeler op bij een minnelijk saneringsakkoord en genoegen nemen met hetzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente schuldeisers toekomt. Een saneringsakkoord komt in principe pas tot stand als alle schuldeisers bereid zijn een offer te brengen door een deel van hun vordering kwijt te schelden. Deelname aan een saneringsakkoord wordt naar verwachting aantrekkelijker voor private schuldeisers door deze maatregel van het kabinet.

Het kabinet verwacht dat saneringsakkoorden voor bedrijven die hiervoor in aanmerking komen een grotere kans van slagen krijgen en dus sneller gerealiseerd kunnen worden. Dat vergroot de overlevingskansen van in de kern gezonde bedrijven. Deze maatregel ondersteunt ondernemingen om met al hun schuldeisers tot een totaaloplossing voor hun schuldpositie te komen.
De Belastingdienst past dit versoepelde beleid toe in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 30 september 2023. Als er geen saneringsakkoord tot stand komt en de onderneming alsnog failliet gaat of in een dwanginvorderingstraject terecht komt, dan heeft en houdt de Belastingdienst een preferente positie.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147 (V-N 2020/15.3); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 19-3-2020, ongenummerd (V-N 2020/15.4); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 2-4-2020, nr. 2020-0000066195 (V-N 2020/17.4); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 15-6-2020, nr. 2020-0000101400; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 18-6-2020, nr. 2020-0000114685; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 28-8-2020, nr. 2020-0000161587; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 29-9-2020, nr. 2020-0000181386; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 3-11-2020, nr. 2020-0000212840; brief kabinet aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket als gevolg van de ontwikkeling in de bestrijding van het coronavirus 9-12-2020, nr. CE-AEP/20307631; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; brief kabinet het steun- en herstelpakket in het derde kwartaal van 2021 27-5-2021, nr. CE-AEP/21140598; brief kabinet heroverweging steunpakket in het derde kwartaal en aankondiging steunpakket vierde kwartaal 29-6-2021, nr. CE-AEP/21170311; brief kabinet het steun- en herstelpakket vanaf het vierde kwartaal van 2021 30-8-2021, nr. CE-AEP/21220232; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 24-9-2021, nr. 2021-191442, Stcrt. 2021, 42308; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 11-10-2021, nr. 2021-0000204069; brief kabinet aanvullende aanpassingen in het steunpakket in het vierde kwartaal 26-11-2021, nr. CE-AEP/21298673;  Belastingdienst

2. Deblokkeren g-rekening

Bijgewerkt op 29 september 2021, 13.20 uur

Voor ondernemers met een g-rekening is, naast het tijdelijk versoepelde beleid van uitstel van betaling van een aantal belastingen, een aanvullende maatregel getroffen.

Een g-rekening is een geblokkeerde bankrekening waarmee normaal gesproken alleen de loonheffing en de btw aan de Belastingdienst kunnen worden betaald. Het gaat hier bijvoorbeeld om ondernemers in de uitzendbranche, detachering en de bouw.

Naast de bestaande mogelijkheid voor het deblokkeren van overschotten, is het nu ook mogelijk om de g-rekening vrij te geven ter hoogte van het bedrag waarvoor bijzonder uitstel van betaling is verleend voor loonheffingen en/of btw. Hierdoor krijgen deze ondernemers dezelfde liquiditeitsvoordelen als ondernemers zonder g-rekening. Ook de uitwinning van de g-rekening blijft achterwege, zolang het verzoek om bijzonder uitstel van betaling in behandeling is of is toegewezen, tenzij de belangen van de Staat zich hiertegen verzetten.

Een instructie voor het aanvragen van de (aanvullende) deblokkering is op de website van de Belastingdienst geplaatst. De ondernemer moet eerst uitstel van betaling aanvragen voor de loonheffingen en/of btw. Daarna kan hij het verzoek om deblokkering indienen met het formulier “Verzoek deblokkering g-rekening”. In rubriek 4 geeft de ondernemer aan dat hij bijzonder uitstel heeft aangevraagd. Zo weet de ontvanger dat een beroep wordt gedaan op de verruimde deblokkeringsmogelijkheid. Bij rubriek 5 geldt de machtiging tot verrekenen niet voor het bedrag waarvoor de ondernemer uitstel van betaling heeft gekregen vanwege de coronacrisis. De ondernemer hoeft geen additionele informatie te verstrekken.

Bij een positieve beslissing geeft de Belastingdienst ook aan hoe het bedrag wordt uitbetaald. De Belastingdienst streeft ernaar binnen vier weken te beslissen op het verzoek. De behandeltijd zit met name in het overboeken van gelden. Daarbij is geen versnelling te behalen. Als een deblokkering wordt goedgekeurd, moet de rekeninghouder zijn bank eerst opdracht geven om het vrijgegeven bedrag over te maken op het bankrekeningnummer van de Belastingdienst. De Belastingdienst maakt vervolgens het bedrag over naar de reguliere bankrekening van de g-rekeninghouder.

Overigens kan de verruiming van de deblokkering worden beperkt in situaties van misbruik of oneigenlijk gebruik.

Deblokkering blijft mogelijk zolang en voor zover de ondernemer bijzonder uitstel van betaling geniet (dit is vanaf 1 oktober 2021 alleen nog mogelijk in specifieke gevallen tot en met 31 januari 2022) en zich aan de lopende betalingsverplichtingen en aflossingsverplichtingen houdt (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona). Het versoepelde beleid loopt definitief af op 1 oktober 2027.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 2-4-2020, nr. 2020-0000066195 (V-N 2020/17.4); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 15-6-2020, nr. 2020-0000101400; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 28-8-2020, nr. 2020-0000161587; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 29-9-2020, nr. 2020-0000181386; brief kabinet aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket als gevolg van de ontwikkeling in de bestrijding van het coronavirus 9-12-2020, nr. CE-AEP/20307631; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; brief kabinet het steun- en herstelpakket in het derde kwartaal van 2021 27-5-2021, nr. CE-AEP/21140598; brief kabinet heroverweging steunpakket in het derde kwartaal en aankondiging steunpakket vierde kwartaal 29-6-2021, nr. CE-AEP/21170311; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 24-9-2021, nr. 2021-191442, Stcrt. 2021, 42308; Belastingdienst

3. Versoepelingen invorderingssfeer

Bijgewerkt op 29 september 2021, 13.25 uur

Gedurende de coronacrisis stelt de Belastingdienst zich soepel op bij een aantal aangelegenheden in de invorderingssfeer. 

Meldingsregeling bodemrecht
De verplichte mededeling door een houder van een pandrecht of overige derden of de belastingschuldige aan de Belastingdienst rond een bodemzaak, geldt tot 1 februari 2022 niet als de derde en de belastingschuldige door de coronacrisis nader zijn overeengekomen dat de betaaltermijn van de vordering wordt verlengd.

Daarnaast bestaat een meldingsplicht van het voornemen om rechten op een bodemzaak uit te oefenen of andere handeling te (laten) verrichten waardoor het niet meer als bodemzaak kwalificeert. Ook deze melding is tot 1 februari 2022 niet nodig als de betalingsachterstand is veroorzaakt door de coronacrisis.

Verklaring betalingsgedrag
De Belastingdienst geeft een schone verklaring betalingsgedrag af, als voor de nageheven loonheffingen of voor de (door de uitlener verschuldigde) omzetbelasting (btw) geen invorderingsmaatregelen worden genomen of zolang de ondernemer daarvoor uitstel van betaling geniet.

Geen schone verklaring wordt afgeven als na 1 oktober 2021 niet wordt voldaan aan nieuw opkomende fiscale verplichtingen en de ondernemer geen uitstel geniet zoals dat na 1 oktober 2021 nog tot uiterlijk 31 januari 2022 kan worden aangevraagd.

G-rekening/melding betalingsonmacht
Naast deze aangelegenheden zijn ook versoepelingen getroffen rond de g-rekening en de melding betalingsonmacht. Zie hiervoor de aparte onderdelen in dit deel van het Dossier Corona.

Bron: brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 28-8-2020, nr. 2020-0000161587; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 24-9-2021, nr. 2021-191442, Stcrt. 2021, 42308; Belastingdienst

4. Uitstel energiebelasting/ODE

Bijgewerkt op 24 september 2021, 13.35 uur

Het kabinet stelt de heffing van de energiebelasting (EB) en/of de heffing van opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) voor bedrijven tijdelijk uit. Het uitstel is zodanig vormgegeven dat dit leidt tot meer liquiditeit bij de grotere zakelijke klanten van de energieleveranciers.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft in een beleidsbesluit het volgende goedgekeurd. 

Uitstel van EB/ODE
Bij leveringen van aardgas en elektriciteit wordt de EB en de ODE geheven van de energieleverancier.

De energieleveranciers worden voor leveringen van aardgas en elektriciteit in de maanden april tot en met september 2020 de EB en ODE alsmede de btw hierover, op een later moment verschuldigd dan normaal. Het gaat dan om leveringen waarvoor de energieleverancier factureert zonder voorschotten of – als toch sprake is van voorschotten – de eindfactuur ziet op een kalendermaand.

Uitgangspunt hierbij is dat de energieleverancier voor leveringen in de maanden april tot en met september 2020 geen EB, ODE en btw hierover, in rekening brengt bij haar klanten. Hiermee kan aan klanten uitstel van betaling van de EB en ODE worden geboden. Uiterlijk in december 2020 worden de EB en ODE, vermeerderd met de btw hierover, via een aanvullende factuur alsnog in rekening gebracht aan de klanten en verschuldigd door de energieleveranciers.

Een eventueel teruggaafverzoek EB en ODE dat op deze aanvullende factuur betrekking heeft, mag ook later dan gebruikelijk worden ingediend. De uiterste termijn daarvoor is dertien weken na 31 december 2020.

Ook als aardgas of elektriciteit wordt geleverd of verbruikt in de maanden april tot en met september 2020 zonder uitreiking van een voorschotnota of factuur, is de EB en ODE en de btw hierover pas verschuldigd op 31 december 2020 (geen levering, wel verbruik) of 1 januari 2021 (wel levering).

Er is ook een goedkeuring afgegeven voor oninbare vorderingen. Dit met het oog op mogelijke financiële risico’s voor de energieleveranciers als (een deel) van de uitgestelde EB en ODE oninbaar blijkt door de coronacrisis.

Niet voor kleine bedrijven en particulieren
De goedkeuring geldt niet voor leveringen door energieleveranciers waarbij het tijdvak van de eindfactuur op een langere periode dan een kalendermaand ziet. Dit gaat onder meer om de situatie waarbij de energieleverancier maandelijks een voorschotbedrag van zijn klant ontvangt en die klant jaarlijks een eindafrekening stuurt, zoals gebruikelijk is bij particulieren en kleinere bedrijven. Mocht een dergelijk bedrijf of particulier door de coronacrisis in betalingsproblemen komen, dan dient deze zich te wenden tot hun energieleverancier voor een individuele regeling.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147 (V-N 2020/15.3); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 2-4-2020, nr. 2020-0000066195 (V-N 2020/17.4); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 15-6-2020, nr. 2020-0000101400; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 24-9-2021, nr. 2021-191442, Stcrt. 2021, 42308

5. Tijdelijke verlaging invorderingsrente/belastingrente

Bijgewerkt op 29 november 2021, 09.15 uur

Om de liquiditeit van ondernemers verder te ondersteunen verlaagt het kabinet tijdelijk de invorderingsrente en belastingrente.

Invorderingsrente
Als een aanslag niet op tijd wordt betaald, moet normaal gesproken 4% invorderingsrente worden betaald vanaf het moment dat de betaaltermijn is verstreken. Om te faciliteren dat ondernemers gemakkelijk uitstel van betaling aanvragen heeft het kabinet de invorderingsrente vanaf 23 maart 2020 tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Deze tariefsverlaging geldt voor alle belastingschulden en zal gelden tot en met 31 juni 2021.

Vanaf 1 juli 2022 gaat het kabinet de invorderingsrente weer stapsgewijs verhogen. Per 1 juli 2022 wordt het rentepercentage 1%, per 1 januari 2023 2%, per 1 juli 2023 3% en per 1 januari 2024 4%.

Als de Belastingdienst invorderingsrente moet vergoeden, blijft wel het normale tarief van 4% gelden.

Betalingskorting
Voor de betalingskorting wordt hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor de in rekening te brengen invorderingsrente, waardoor de verlaging ertoe leidt dat belastingschuldigen nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op betalingskorting.

Belastingschuldigen die een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een datum tussen 23 maart 2020 en 1 juni 2020 in een keer hebben betaald, krijgen automatisch het verschil tussen 0,01% en 4% betalingskorting uitbetaald. De Belastingdienst maakt het bedrag van de te lage betalingskorting in juli 2020 over. Als nog een andere aanslag open staat, wordt het verschil daarmee verrekend. Bezwaar maken tegen deze te lage betalingskorting is dus niet nodig.

Vanaf 1 juni 2020 is deze uitbetaling vervallen en hebben belastingschuldigen nagenoeg geen aanspraak meer op betalingskorting. Deze situatie eindigt als na de coronacrisis de in rekening te brengen invorderingsrente weer naar het oude niveau wordt verhoogd.

Toeslagen
Ook in de toeslagen is de te betalen invorderingsrente verlaagd naar 0,01%. Bij de toeslagen komt te vergoeden invorderingsrente niet voor.

Belastingrente
Belastingrente wordt gerekend als een aanslag te laat kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld omdat de aangifte niet op tijd of niet voor het juiste bedrag wordt ingediend bij de Belastingdienst. Het tarief van de belastingrente was op 17 maart 2020 8% voor de vennootschapsbelasting en 4% voor overige belastingen. Ook de belastingrente is tijdelijk verlaagd naar 0,01%.

Deze verlaging is van toepassing voor alle belastingen waarvoor belastingrente geldt, zowel als belastingrente moet worden betaald als wanneer deze wordt ontvangen. De tijdelijke verlaging van het percentage van de belastingrente is ingegaan op 1 juni 2020 en geldt voor alle belastingen behalve de inkomstenbelasting. De tijdelijke verlaging van het percentage van de belastingrente in de inkomstenbelasting is om uitvoeringstechnische redenen ingegaan op 1 juli 2020.

Per 1 oktober 2020 is het tarief van de belastingrente voor alle belastingen (ook de vennootschapsbelasting) 4%. 

Toeslagen
Voor de toeslagen geldt wel een onderscheid in te betalen belastingrente en te ontvangen belastingrente. De te betalen belastingrente is per 1 juni 2020 omlaag gegaan naar 0,01%, waar de te ontvangen belastingrente ongewijzigd 4% blijft.

Vanaf 1 oktober 2020 is ook voor de te betalen belastingrente het tarief 4% en is er geen onderscheid meer tussen te betalen belastingrente en te ontvangen belastingrente.

Verzamelspoedwet COVID-19
De tijdelijk verlaging van de invorderingsrente en belastingrente voor zowel belastingen als toeslagen is in een formele wet met bijbehorende AMvB officieel geregeld. Zowel de Verzamelspoedwet COVID-19 als het Besluit belasting- en invorderingsrente zijn inmiddels in het Staatsblad verschenen. De stapsgewijze verhoging van de belastingrente vanaf 1 juli 2022 is in een brief aangekondigd. 

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147 (V-N 2020/15.3); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); onderdeel 3.2 Besluit noodmaatregelen coronacrisis 6-5-2020, nr. 2020-9594, Stcrt. 2020, 26066 (ingetrokken) (V-N Vandaag 2020/1222); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; Verzamelspoedwet COVID-19, Stb. 2020, 195, 196; Besluit belasting- en invorderingsrente, Stb. 2020, 200, 201, 355, 356; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; brief kabinet het steun- en herstelpakket in het derde kwartaal van 2021 27-5-2021, nr. CE-AEP/21140598; brief kabinet aanvullende aanpassingen in het steunpakket in het vierde kwartaal 26-11-2021, nr. CE-AEP/21298673; Belastingdienst

6. Verlaging voorlopige aanslag IB/Vpb

Bijgewerkt op 29 september 2021, 14.05 uur

Ondernemers die een lagere winst over het boekjaar 2020 of 2021 verwachten door de coronacrisis kunnen een verzoek indienen voor een verlaging van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. Deze verzoeken zullen door de Belastingdienst worden ingewilligd. Daardoor gaan ondernemers meteen minder belasting betalen.

Het kan ook zo zijn dat het bedrag van de nieuwe voorlopige aanslag lager is dan de belasting die de ondernemer in de eerste maanden van dit jaar al heeft betaald. In dat geval krijgt de ondernemer het verschil uitbetaald.

De Belastingdienst kan alleen verzoeken in behandeling nemen die volgens de officiële kanalen zijn ingediend. Dat is via de portals van de Belastingdienst, een officieel formulier (alleen voor de vennootschapsbelasting) dat te downloaden is van de website van de Belastingdienst of via commerciële aangiftesoftware. Een verzoek per e-mail wordt niet in behandeling genomen.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147 (V-N 2020/15.3); Besluit noodmaatregelen coronacrisis 24-9-2021, nr. 2021-191442, Stcrt. 2021, 42308; Belastingdienst

7. Uitstel aangifte inkomstenbelasting

Bijgewerkt op 29 september 2021, 14.10 uur

Zelf aanvragen
Voor particulieren die een aangiftebrief van de Belastingdienst hebben gekregen waarin staat dat ze aangifte inkomstenbelasting moeten doen, geldt een deadline. Voor de aangifte 2019 was die deadline 1 mei 2020, voor de aangifte 2020 8 mei 2021. Als die deadline problematisch was, bijvoorbeeld door de coronacrisis, kon uitstel worden aangevraagd. 

Uitstel aanvragen kan eenvoudig online via Mijn Belastingdienst, door te bellen naar de Belastingtelefoon of door het Formulier “Uitstel aanvragen” te downloaden van de site van de Belastingdienst, in te vullen en op te sturen. Bij fiscaal partnerschap moet voor beide partners apart uitstel worden aangevraagd.

Hulp bij aangifte
De Belastingdienst heeft voor burgers die gebruik maken van hulp bij de aangifte inkomstenbelasting 2019 en/of 2020 en voor wie vanwege de maatregelen rond de corona-uitbraak geen afspraken gemaakt kunnen worden, gezorgd dat zij automatisch uitstel krijgen tot 1 september 2021. Hier hoeven zij niets voor te doen. Men moet wel, zowel voor de aangifte 2019 als de aangifte 2020, over een DigiD-machtigingscode beschikken.

Alleen eventuele fiscaal partners van mensen die een beroep hadden gedaan op hulp bij aangifte dienen wel zelf uitstel aan te vragen.

Ook vakbonden en andere maatschappelijk dienstverleners helpen burgers bij het doen van aangifte. Deze partijen kunnen voor hun cliënten ook uitstel aanvragen bij de Belastingdienst. Waar het om grotere aantallen cliënten gaat, faciliteert de Belastingdienst dit door uitwisseling van de burgerservicenummers via een beveiligde verbinding.

Belastingrente
Als een belastingaanslag met een te betalen bedrag wordt vastgesteld, moet de Belastingdienst in beginsel belastingrente in rekening brengen. Belastingrente blijft achterwege als de aangifte vóór 1 mei is ingediend en de (voorlopige) aanslag wordt opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Bij een ná 1 mei ingediende aangifte, wordt belastingrente in rekening gebracht, ook als de inlevertermijn op verzoek is verlengd.

Belastingplichtigen die gebruikmaken van hulp bij aangifte en voor wie de inlevertermijn voor de aangifte 2019 of 2020 op initiatief van de Belastingdienst (dus niet op verzoek) is verlengd, kunnen met belastingrente worden geconfronteerd. De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt dit ongewenst en heeft de Belastingdienst opdracht gegeven die belastingrente onder de volgende voorwaarden ambtshalve naar nihil te verminderen:

  • De inlevertermijn van de desbetreffende aangifte is op initiatief van de Belastingdienst schriftelijk verlengd.
  • De desbetreffende aangifte is binnen de door de Belastingdienst verlengde inlevertermijn ingediend.
  • De (voorlopige) aanslag waarbij de belastingrente in rekening is gebracht, is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte.

De Belastingdienst past de vermindering naar nihil ook toe als de belastingrente in rekening is gebracht bij een (voorlopige) aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

De Belastingdienst zal de belastingplichtige hierover schriftelijk informeren.

Bron: brief minister van Financiën beantwoording van schriftelijke vragen van de Tweede Kamer over de Incidentele Suppletoire Begroting Financiën voor het economische noodpakket Corona 24-3-2020, nr. 2020-0000059533; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beantwoording van vragen van het lid Leijten over het verlenen van uitstel voor de aangifte Inkomstenbelasting 23-4-2020, nr. 2020-0000073661; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 24-9-2021, nr. 2021-191442, Stcrt. 2021, 42308; Belastingdienst

8. Coulance WBSO-mededeling en aanvraag S&O-verklaring

Bijgewerkt op 18 mei 2020, 15.00 uur

Mededeling
Een werkgever die in 2019 een S&O-verklaring van de WBSO heeft ontvangen moest normaal gesproken uiterlijk 31 maart 2020 een mededeling aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) doen. De mededeling kan nu nog tot en met 15 juni 2020 worden gedaan zonder dat de RVO de mededeling als te laat beschouwt of een boete oplegt. In de mededeling moet de werkgever een opgave doen van de gerealiseerde uren speur- en ontwikkelingswerk (S&O) en eventuele gemaakte kosten en uitgaven over het jaar 2019.

Een zelfstandig ondernemer in de inkomstenbelasting die de S&O-aftrek toepast, hoeft geen mededeling te doen.

Aanvraag WBSO vanaf 1 april 2020
De uiterste termijn voor het indienen van een aanvraag van WBSO vanaf 1 april 2020 is opgeschoven. De aanvraag moest uiterlijk 5 april 2020 bij de RVO binnen zijn, in plaats van 31 maart 2020.

Aanvraag WBSO opnieuw indienen
Door de coronacrisis kunnen S&O-plannen wijzigen. Als voor (de eerste helft van) 2020 al een S&O-verklaring is afgegeven, kan deze gewijzigd worden, door de looptijd ervan in te korten en een nieuwe aanvraag in te dienen.

Het inkorten van de periode van een aanvraag waarvoor nog geen S&O-verklaring is afgegeven was altijd al mogelijk. De mogelijkheid voor het inkorten van de periode van een reeds afgegeven S&O-verklaring is nieuw.

De RVO verbindt aan het inkorten van een lopende S&O-verklaring en het indienen van een nieuwe aanvraag een aantal voorwaarden:

  • De looptijd van zowel de eerder ingediende aanvraag als de nieuwe aanvraag is minimaal 3 maanden.
  • Met terugwerkende kracht indienen is niet mogelijk. De nieuwe aanvraag start in de maand volgend op de datum van indiening.
  • De versoepeling van de voorwaarden geldt vanaf 24 april tot en met 30 september 2020. Is een jaaraanvraag voor 2020 is ingediend, dan kan een nieuwe aanvraag worden ingediend vanaf 24 april tot en met 30 september 2020 met nieuwe of gewijzigde S&O-projecten. De al afgegeven S&O-verklaring wordt dan ingekort.

Bron: nieuwsbericht Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 30-3-2020nieuwsbericht RVO 24-4-2020 

9. Terugwerkende kracht geruisloze inbreng, terugkeer, fusie en splitsing

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 10.45 uur

Bepaalde fiscale faciliteiten kunnen onder voorwaarden met terugwerkende kracht naar het begin van het boekjaar ingaan. Aan die terugwerkende kracht is vaak de voorwaarde verbonden dat bepaalde juridische handelingen binnen een bepaalde termijn worden verricht. De bijzondere omstandigheden van de coronacrisis kunnen meebrengen dat die termijn niet wordt gehaald. Dit kan ertoe leiden dat de onderneming dan niet van de fiscale faciliteit gebruik kan maken.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt dat onredelijk en heeft daarom het volgende goedgekeurd.

Geruisloze omzetting/geruisloze terugkeer
Fiscaal geruisloze omzetting van een IB-onderneming in een NV of BV is onder voorwaarden met terugwerkende kracht naar het begin van het jaar mogelijk (overgangstijdstip). Dat geldt ook voor de fiscaal geruisloze terugkeer uit een BV.

Een van de voorwaarden voor terugwerking is dat bepaalde juridische handelingen worden verricht binnen vijftien maanden na het tijdstip van de gewenste terugwerkingsdatum. Deze termijn voor terugwerking van geruisloze omzetting en geruisloze terugkeer met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 is op 31 maart 2020 verstreken.

Goedkeuring
De inspecteur mag de termijn van vijftien maanden met drie maanden verlengen, als deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020.

Bedrijfsfusie, juridische fusie en splitsing
Voor de fiscale faciliteiten van de bedrijfsfusie, de juridische fusie en de splitsing waarbij gebruik wordt gemaakt van terugwerkende kracht naar het begin van het boekjaar wordt de eis gesteld dat bepaalde juridische handelingen binnen twaalf maanden (voor bedrijfsfusie vijftien maanden) tot het moment dat de faciliteit terugwerkt, moeten zijn verricht.

Goedkeuring
De inspecteur mag de termijn van twaalf maanden voor de juridische fusie en splitsing en vijftien maanden voor de bedrijfsfusie met drie maanden verlengen, als deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020.

Bron: Besluit noodmaatregelen coronacrisis 21-12-2020, nr. 2020-247116, Stcrt. 2020, 68989 (ingetrokken); Belastingdienst

10. Uitstel publicatieplicht financiële gegevens ANBI

Bijgewerkt op 30 december 2020, 10.30 uur

Een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) moet binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bepaalde financiële gegevens op internet publiceren. De coronacrisis kan ertoe leiden dat een ANBI niet op tijd aan deze publicatieplicht kan voldoen.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft daarom in een beleidsbesluit goedgekeurd dat een ANBI de termijn van zes maanden na afloop van het boekjaar verlengd met maximaal vier maanden.

De staatssecretaris verbindt daaraan twee voorwaarden:

  • De ANBI moet binnen zes maanden na afloop van het boekjaar het bestuursbesluit tot verlenging op de website publiceren.
  • Uit het bestuursbesluit moet blijken waarom de financiële gegevens niet binnen de termijn van zes maanden kunnen worden gepubliceerd.

De goedkeuring is vervallen op 1 november 2020.

Bron: Besluit noodmaatregelen coronacrisis 29-9-2020, nr. 2020-19833, Stcrt. 2020, 50987 (ingetrokken)

11. Uitstel meldplicht grensoverschrijdende constructies

Bijgewerkt op 29 september 2021, 14.05 uur

Het kabinet heeft de ingangsdatum van de Mandatory Disclosure-richtlijn (ook wel DAC6 genoemd) uitgesteld.

DAC6 verplicht belastingplichtigen en intermediairs zoals belastingadviseurs, accountants en financiële instellingen vanaf 1 juli 2020 grensoverschrijdende constructies die gebruikt kunnen worden om belasting te ontwijken bij de Belastingdienst te melden. De informatie die vanaf dan geleverd moet worden gaat terug tot 25 juni 2018. De Belastingdienst zal deze informatie vervolgens automatisch uitwisselen met de belastingautoriteiten van andere lidstaten van de Europese Unie (EU).

Uitstel
Omdat de gevolgen van de coronacrisis groot zijn en de uitvoering van DAC- veel extra werk voor bedrijven betekent, is er binnen de EU afgesproken de meldplicht niet op 1 juli 2020 maar op 1 januari 2021 in te laten gaan. Dit uitstel heeft geen gevolgen voor de terugwerkende kracht: de informatie die geleverd moet worden gaat nog altijd terug tot 25 juni 2018.

Bijna alle EU-lidstaten zijn van plan om gebruik te maken van deze optie. Omdat de meldplicht grensoverschrijdend is, wordt het doel van het uitstel (het ontlasten van bedrijven) het beste bereikt als alle lidstaten de optie overnemen. De Europese Commissie heeft alle lidstaten dan ook nadrukkelijk opgeroepen de mogelijkheid tot het verschuiven van de termijnen over te nemen.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft daarom in een beleidsbesluit goedgekeurd dat de meldplicht pas op 1 januari 2021 ingaat.

Het later ingaan van de meldtermijnen betekent alleen dat informatie over grensoverschrijdende constructies een half jaar later wordt ontvangen, maar niet dat minder informatie binnenkomt. Intermediairs en belastingplichtigen krijgen alleen meer ruimte om aan de meldplicht te voldoen, zonder dat een mogelijkheid wordt geboden tot eventueel misbruik.

Geen uitstel
Niet alle lidstaten hebben – ondanks de oproep van de Europese Commissie – van de uitstelmogelijkheid gebruik gemaakt. Door de verschillende deadlines die lidstaten hanteren kunnen dan onvoorziene situaties ontstaan.

Het kan voorkomen dat een lidstaat zonder uitstel verwacht dat een in die lidstaat gevestigde belastingplichtige een melding doet waarbij (alleen) een intermediair is betrokken uit een lidstaat waar wél uitstel van de termijnen bestaat (zoals Nederland).

Om te voorkomen dat een Nederlandse intermediair, op het moment dat de meldplicht in Nederland ingaat, alsnog een melding moet doen van een constructie die al in een andere lidstaat is gemeld (met dubbele meldingen tot gevolg), heeft de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst ook hiervoor een goedkeuring afgegeven. De melding mag achterwege blijven als de Nederlandse intermediair met een referentienummer aannemelijk kan maken dat de melding al voor 1 januari 2021 in de andere lidstaat is gedaan.

Bron: brief Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst richtlijnvoorstel Mandatory Disclosure 26-6-2020, nr. 2020-0000115111; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 24-9-2021, nr. 2021-191442, Stcrt. 2021, 42308

12. Lokale belastingen

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Gemeenten
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) adviseert gemeenten als een aanslag gemeentelijke belastingen is opgelegd, uitstel van betaling te geven of een gespreide betalingsregeling treffen. Dit kan gebeuren op verzoek van individuele belastingschuldigen, maar er kan ook een beleid worden gevoerd voor bepaalde categorieën (bijvoorbeeld horecaondernemers) en voor bepaalde heffingen (bijvoorbeeld precario terrassen).

Op het gebied van de invordering en kwijtschelding van belastingen heeft de VNG als uitgangspunt dat gemeenten het Rijksbeleid volgen, tenzij de (lokale) omstandigheden een ander beleid rechtvaardigen of noodzakelijk maken. Rijksbeleid is dat iedere ondernemer die door de coronacrisis in financiële problemen is gekomen, van de Belastingdienst bijzonder uitstel van betaling van zijn belastingschuld krijgt.

Het Rijk heeft vanaf 23 maart 2020 bij beleidsbesluit het percentage voor te betalen invorderingsrente tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Omdat de wet niet wijzigt, geldt het percentage van 0,01% niet automatisch ook voor gemeenten. Als de gemeente het rijksbeleid wil overnemen, dan adviseert de VNG om hierover als gemeente ook een beleidsbesluit te nemen. Het verlagen van belastingtarieven, het afschaffen van belastingen of het toepassen van de hardheidsclausule is volgens de VNG een ingrijpende maatregel die altijd nog (met terugwerkende kracht) kan worden overwogen. Uitstel van betaling, een betalingsregeling of het op een later tijdstip binnen de driejaarstermijn opleggen van belastingaanslagen biedt op korte termijn soelaas voor ondernemers, waardoor niemand door de lokale heffingen nu in de problemen hoeft te komen.

Waterschappen
Met een uitgebreid pakket aan maatregelen leveren ook de waterschappen een bijdrage om ondernemers door de coronacrisis te loodsen. Ondernemers die door de coronacrisis de waterschapbelastingen niet kunnen betalen krijgen uitstel van betaling.

De meest voorkomende maatregelen van de waterschappen zijn:

  • Er wordt coulant omgegaan met verzoeken om uitstel van betaling. Ondernemers en zzp-ers die aangeven dat ze hun belastingaanslag als gevolg van de crisis niet op tijd kunnen betalen, krijgen bij de meeste waterschappen uitstel van betaling, meestal voor een periode van drie tot zes maanden.
  • Er worden soepele betalingsregelingen getroffen.
  • Veel waterschappen betalen facturen sneller, ruim voor de vervaldatum.
  • Al het beheer en onderhoud, de uitvoering van projecten en de voorbereiding van nieuwe projecten gaan zoveel mogelijk door.

Bron: Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Unie van Waterschappen