Hof Arnhem-Leeuwarden stelt de Belastingdienst in hoger beroep in het gelijk en beslist dat een besloten vennootschap een bedrag van bijna 45 miljoen euro aan dividendbelasting, dat zij op dividenduitkeringen heeft ingehouden, aan de Belastingdienst moet afdragen. De opgelegde vergrijpboete van ruim 22 miljoen euro blijft ook in stand.

In deze zaak is een internationale structuur opgezet. In de structuur werden grote sommen geld overgemaakt tussen een aantal vennootschappen. Het doel daarvan was het creëren van in het Verenigd Koninkrijk verhandelbare ‘tax credits’ (belastingkortingen), zonder dat daarvoor per saldo ergens dividendbelasting zou worden afgedragen.

De belanghebbende bv heeft in het kader van deze structuur volgens een vooraf uitgewerkt stappenplan in totaal 300 miljoen euro aan dividenduitkeringen ontvangen van een Luxemburgse vennootschap. Vervolgens heeft zij de ontvangen bedragen (na inhouding van een bedrag voor kosten van belanghebbende) als dividend uitgekeerd aan een andere bij de structuur betrokken vennootschap in het Verenigd Koninkrijk, onder inhouding van ongeveer 45 miljoen euro aan dividendbelasting. 

De bv heeft deze dividendbelasting echter niet op aangifte afgedragen, omdat zij in haar aangiften dividendbelasting stelde als fiscale beleggingsinstelling recht te hebben op de afdrachtvermindering van artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna Wet DB). Na onderzoek heeft de Belastingdienst de niet afgedragen dividendbelasting van de bv nageheven en haar een vergrijpboete opgelegd.

In de procedure voor de rechtbank en het hof heeft de bv erkend dat zij heeft meegewerkt aan een volstrekt kunstmatige structuur en dat zij niet aan de voorwaarden voldeed om als fiscale beleggingsinstelling te worden aangemerkt. Volgens de bv moeten de naheffingsaanslag (en daarmee de boete) evengoed worden vernietigd, omdat bij de volstrekt kunstmatige structuur geen sprake zou zijn van dividend zoals bedoeld in de Wet DB.

Rechtbank

Rechtbank Gelderland heeft de bv in eerst aanleg in het gelijk gesteld. Het hof had eerder in een andere zaak van deze bv voor de vennootschapsbelasting beslist dat de bv nooit het economische belang bij de dividenduitkeringen heeft gehad. Onder verwijzing naar deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de bv niet inhoudingsplichtig was voor de dividendbelasting. De rechtbank heeft daarom zowel de naheffingsaanslag dividendbelasting als vergrijpboete vernietigd.

Hof

Het hof beslist anders dan de rechtbank. Omdat vaststaat dat de bv dividendbelasting heeft ingehouden is het hof van oordeel dat de bv deze ingehouden belasting op grond van artikel 7 lid 4 van de Wet DB moet afdragen. Dat voor de vennootschapsbelasting is beslist dat de bv niet het economische belang bij de dividenduitkeringen heeft gehad, is daarbij niet van belang. De Belastingdienst mag daarom de ten onrechte niet afgedragen belasting naheffen.

Over de boete oordeelt het hof als volgt. Op het moment dat zij de aangiften dividendbelasting indienden wisten de bestuurders van de bv of moeten zij hebben geweten dat per saldo geen Luxemburgse dividendbelasting op de door de bv ontvangen dividenden zou drukken en dat daarom geen recht bestond op de in de aangiften geclaimde afdrachtvermindering.

Het hof rekent de gedragingen van de bestuurders toe aan de bv. Het is daarom aan de opzet van de bv te wijten dat de belasting die op aangifte had moeten worden afgedragen niet is betaald. De opgelegde vergrijpboete van ruim 22 miljoen euro blijft daarom ook in stand.

De uitspraak heeft nummer ECLI:NL:GHARL:2026:1691.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Dividendbelasting

19

Gerelateerde artikelen