De president van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft een juridisch advies gevraagd aan raadsheer advocaat-generaal Ruth de Bock. Het gaat om een conclusie in een zaak waarin het UWV en een werkgever het niet met elkaar eens zijn over de compensatie die het UWV moet betalen aan de werkgever die een transitievergoeding heeft betaald.

De zaak gaat over het volgende. Een werkgever betaalde in oktober 2022 zijn werknemer een transitievergoeding. Vervolgens 'declareerde' de werkgever op grond van artikel 7:673e BW het bedrag bij het UWV. Het UWV kwam uit op een lager bedrag door een andere berekening van de omzetafhankelijke provisie die de werknemer jaarlijks ontving. De werkgever kreeg daardoor minder terug van het UWV dan het bedrag dat hij aan zijn werknemer had betaald en stapte naar de bestuursrechter.

Rechtbank Gelderland stelde de werkgever in het gelijk en gaf het UWV de opdracht een nieuwe berekening te maken. Het UWV was het daar niet mee eens en ging in hoger beroep bij de CRvB.

Verzoek aan raadsheer advocaat-generaal

Beide partijen baseren zich bij de berekening van de provisie op artikel 2, derde lid, van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (Besluit), maar komen uit op verschillende bedragen. Partijen zijn het erover eens dat de provisie moet worden berekend over de twaalf maanden vóór het einde van de arbeidsovereenkomst, maar zij verschillen van mening over de vraag welke provisiebedragen in die periode vallen.

De interpretatie van artikel 2, derde lid, van het Besluit was al eerder een (arbeidsrechtelijk) geschilpunt, maar er is nog geen (uitdrukkelijk) oordeel over gegeven door een hoogste rechter. Voor de CRvB is dit aanleiding om een conclusie te vragen aan raadsheer advocaat-generaal De Bock voor een antwoord op de volgende vragen:

  • Hoe moet artikel 2, derde lid, van het Besluit bij de berekening van de wettelijke transitievergoeding worden uitgelegd en toegepast?
  • Hoe moet de provisie die afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid (genoemd in dit artikellid) worden berekend?
  • Is er ruimte voor een afwijkende berekening van de provisie in bijzondere gevallen, zoals bijvoorbeeld in deze zaak (beëindiging van een onderneming doordat de werkgever stopt/met pensioen gaat)?

De CRvB heeft de zaak (23/523 CRTV) behandeld in een zitting van een meervoudige kamer op 15 februari 2024. Omdat nog allerlei – ook arbeidsrechtelijke – vragen bleven, is besloten de A-G om advies te vragen. De partijen die bij deze zaak zijn betrokken, krijgen de gelegenheid om daarop te reageren. Daarna doet de meervoudige kamer van de CRvB uitspraak.

Bron: CRvB

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Arbeidsrecht

319

Gerelateerde artikelen