Door nieuwe digitale platformmaatregelen blijven kleine (quasi) zelfstandigen op het internet niet langer onder de radar. Vanaf 2023 moeten digitale platformen aan de Belastingdienst laten weten wie via het platform tegen betaling producten verkoopt en diensten levert. Daniël Smit van EY spreekt van een terechte jaarlijkse rapportageverplichting met een niet te onderschatten impact voor (quasi) ondernemers zoals de Uber-taxichauffeurs, de thuisbezorgers, Marktplaatsverkopers en diegene die via Airbnb zijn huis verhuurt. Met informatie over de digitaal behaalde inkomsten op zak, kan de Belastingdienst aan de slag.

Internetconsultatie

Voor de nieuwe digitale platformaatregelen is een internetconsultatie gestart. Het te consulteren wetsvoorstel implementeert de EU-richtlijn voor automatische uitwisseling van informatie over behaalde inkomsten via de digitale platformeconomie, ook wel bekend als DAC7. Doel van het wetsvoorstel is meer transparantie over deze inkomsten want dat leidt tot een eerlijker belastingheffing. Reageren kan tot en met 8 november aanstaande.

Gegevensuitwisseling

De DAC7-richtlijn ziet in de basis op de uitwisseling van gegevens tussen de belastingautoriteiten van de verschillende EU-lidstaten, legt Smit, hoofd bureau vaktechniek EY en bijzonder hoogleraar Belastingheffing digitale economie aan de Universiteit van Amsterdam, uit. “Grof gezegd wordt met deze informatie- en uitwisselingsplicht tegemoet gekomen aan het probleem dat er in veel gevallen geen dienstbetrekking bestaat tussen het platform zelf en de verkoper/aanbieder op het platform, en daarmee ook geen inhoudingsplicht voor de loonbelasting. De verkoper/aanbieder kan de ontvangen vergoeding vervolgens onder de radar houden.”

Niet te onderschatten impact

Hoewel de uniforme rapportageverplichting over commerciële gebruikers van digitale platforms is ontworpen met het oog op internationale informatie-uitwisseling, is de impact ervan groter. Smit: “In principe staat niets er aan in de weg dat de Belastingdienst met de ontvangen informatie in de hand desgewenst ook voor puur binnenlandse gevallen belastingcontroles kan uitvoeren en belastingaanslagen en navorderingen kan opleggen aan diegenen die via digitale platforms producten verkopen of diensten leveren. Er is uiteraard niet gezegd dat in alle situaties ook daadwerkelijk sprake is van belastbaar inkomen, maar de bal om, naast de automatische gegevensuitwisseling binnen de EU, iets met de aangeleverde informatie te doen ligt bij de Belastingdienst. Het is hiervoor dus niet vereist dat sprake is van een grensoverschrijdend element. Daarmee heeft de nieuwe rapportageverplichting een disciplinerende werking: het besef dat ook inkomsten behaald via het internet belastbaar kunnen zijn.”

Relevante activiteiten

De nieuwe jaarlijkse rapportageverplichting voor digitale platforms ziet op relevante activiteiten die vanaf 1 januari 2023 op de platforms plaatsvinden, zoals Airbnb-verhuur of het regelmatig verkopen van spullen aan particulieren via Marktplaats. Een relevante activiteit is kort gezegd de verhuur van onroerend goed, het verrichten van een persoonlijke dienst zoals een bezorgdienst en kluswerkzaamheden, de verkoop van goederen of de verhuur van een transportmiddel. Cruciaal element is de tegenprestatie, want zonder tegenprestatie is er geen relevante activiteit en valt er niks te rapporteren.

Escapes

Smit: “Naast de ontbrekende tegenprestatie omdat de verkoper geen vergoeding ontvangt van de afnemende consument, zijn er nog enkele escapes. Zo ontvangt de Belastingdienst geen informatie over kleine verkopers van goederen, dat wil zeggen verkopers met minder dan 30 relevante activiteiten op het platform en een totaal aan tegenprestaties van maximaal € 2.000 gedurende de rapportageperiode van een kalenderjaar. Over deze kleine gebruikers hoeft de platformexploitant niet te rapporteren.”

“Ook beursgenoteerde bedrijven vallen erbuiten,” vervolgt Smit, “evenals hotels die hun hotelkamers aanbieden bijvoorbeeld via Booking.com. Het risico op belastingontduiking is in deze situaties namelijk uitermate beperkt. En dan zijn er nog twee escapes: de verkoper/aanbieder van een dienst en de afnemer zijn een vergoeding overeengekomen maar het platform is hier niet van op de hoogte (of kon hier redelijkerwijs niet van op de hoogte zijn) en tot slot, tussen verkoper en de platformexploitant bestaat een werknemersrelatie. Ook hier is het betalen van belasting al veiliggesteld: op de vergoeding die de verkoper/werknemer ontvangt, houdt de platformexploitant/werkgever loonbelasting in.”

Handel en wandel van de ‘gewone’ man

Afgezien van de escapes, zullen digitale platforms straks de nodige informatie moeten gaan aanleveren aan de Belastingdienst over wie de verkoper/aanbieder op het platform is en wat die op het platform doet. “Rechtsvorm of (quasi) ondernemerschap, gelieerd of niet-gelieerd, natuurlijk persoon of rechtspersoon, het maakt allemaal niet uit,” aldus Smit. “Ook de handel van de ‘gewone man’ op het internet komt aan het licht. De Belastingdienst ontvangt informatie over de identiteit van de verkoper/aanbieder, het aantal relevante activiteiten en de daarmee behaalde inkomsten en het kadasternummer en het adres bij verhuur van onroerend goed, waartoe ook kamerverhuur en de verhuur van parkeerruimte behoort.”

Afbakeningsproblematiek

Wie nu precies kwalificeert als rapporterende platformexploitant is niet volstrekt helder. De definitie van een platform is volgens Smit rekbaar. “Je moet kijken of bij het verrichten van een activiteit via het platform koper en verkoper, vraag en aanbod, met elkaar in contact worden gebracht. Het platform zit tussen verkoper en koper in en fungeert als het ware als een doorgeefluik. Kijk je hier met een hele grote blik naar dan is elke bedrijfsketen een aaneenschakeling van doorgeefluiken. Maar niet iedere doorgeefluik kwalificeert uiteraard als een rapporterende platformexploitant, dat is niet de bedoeling. Zo valt een bedrijfswebsite die uitsluitend de online verkoop van goederen van dat bedrijf faciliteert, niet onder de definitie een platform. Ook een supermarkt die producten afneemt bij een groothandel en die producten vervolgens online doorverkoopt, kwalificeert niet.”

“De afbakening lijkt mij in de praktijk echter wel wat lastiger dan weergegeven met de enkele summiere voorbeelden in de concept memorie van toelichting,” geeft Smit aan. “Zo zie je in de praktijk een trend dat consumenten graag precies willen weten bij wie een bepaald product is ingekocht, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van duurzaamheid of het steunen van de kleine, lokale ondernemer. De consument is dus in toenemende mate juist op zoek naar een bepaalde connectie met de leverancier en je ziet dat online supermarkten daar ook steeds meer op inspelen. De vraag is dan waar het kantelpunt ligt en op welk moment het supermarktplatform in dat soort gevallen toch informatie moet gaan uitwisselen.”

Waslijst aan voorbeelden

Een waslijst aan voorbeelden zodat de praktijk iets meer gevoel krijgt bij wat er nu wel en wat er nu niet onder deze nieuwe rapportageverplichting valt, zou volgens Smit dan ook geen overbodige luxe zijn. “Temeer omdat platforms anders overmatig gaan rapporteren om te voorkomen dat zij tegen torenhoge boetes aanlopen. Ik vind de DAC7-richtlijn en de implementatie daarvan in de nationale wetgeving een goede zaak, maar het moet te overzien zijn en voorspelbaar. Wat je niet moet willen is dat een bedrijf maar lukraak gaat rapporteren. Je moet er als wetgever dus voor zorgen dat het sleutelbegrip ’rapporterende platformexploitant’ voldoende omlijnd is, niet alleen voor nu, maar ook naar de toekomst toe.”

Extra bewustwording

Platforms die moeten rapporteren zijn ook verplicht om aan de verkoper/aanbieder op het platform door te geven welke informatie over hem of haar aan de Belastingdienst is verstrekt. De betreffende verkoper/aanbieder kan dit overzicht meenemen in de belastingaangifte, valt te lezen in de concept memorie van toelichting.

“Vanuit het perspectief dat genezen goed is, maar voorkomen minstens even belangrijk, is een stukje extra bewustwording hier geen overbodige luxe,” zegt Smit. “Als je toch de DAC7-richtlijn moet implementeren, richt je dan niet alleen op de automatische informatie-uitwisseling, maar ook op het vooraf informeren van een hele grote groep quasi ondernemers. Er is een verschil tussen bewust onbekwaam, de notoire belastingontduiker, en onbewust onbekwaam, oftewel diegenen die uit onwetendheid niet opzettelijk hun internetverdiensten niet aangeven. Beiden staan weliswaar aan de verkeerde kant van de streep, maar die laatste groep zou met extra voorlichting op voorhand alsnog de goede kant kunnen worden opgetrokken. Die groep wordt dan straks niet volledig overrompeld door de effecten van DAC7, wat ook de Belastingdienst een hoop werk kan schelen.”

Bron: Redacteur Marit Muller

Informatiesoort: Interviews, Nieuws

Carrousel: Carrousel

Rubriek: Europees belastingrecht, Belastingrecht algemeen

Focus: Focus

  614
Gerelateerde artikelen