De NOB vraagt de fiscus om bij toepassing van de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting meer aansluiting te zoeken bij de jurisprudentie en bij de faciliteiten en antimisbruikbepalingen voor reorganisaties in andere belastingmiddelen. Zo kunnen uitvoeringsknelpunten bij toepassing van de splitsingsvrijstelling wat betreft de handhaving van, toezicht op en in het vooroverleg met belastingplichtigen worden weggenomen. Dat staat in de reactie van de Orde op de internetconsultatie Aanpassing splitsingsvrijstelling.

De Orde betwijfelt of met het conceptvoorstel de beoogde vermindering van uitvoeringslasten bij de Belastingdienst wordt bereikt. De NOB signaleert namelijk dat de overdrachtsbelasting in de praktijk een steeds groter knelpunt is geworden voor de innovatie en herstructurering of rationalisering van ondernemingen. De Belastingdienst hanteert in de uitvoeringspraktijk namelijk onduidelijke, maar ook van jurisprudentie afwijkende toetsingskaders bij de beoordeling of de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting geldt. Belastingplichtigen zijn daarmee in de praktijk regelmatig aan onduidelijk beleid of de willekeur van de inspecteur overgeleverd, terwijl in consistente jurisprudentie de kaders voor toepassing van de vrijstelling helder zijn neergelegd. Door het ontbreken van toereikende rechtsmiddelen zien belastingplichtigen in voorkomende gevallen vervolgens geheel af van een splitsing als de inspecteur in het vooroverleg afwijzend oordeelt, ook als dit oordeel niet in lijn is met jurisprudentie. Daarmee zit de overdrachtsbelasting het goed functioneren van ondernemingen in deze gevallen in de weg. Volgens de NOB worden de uitvoeringsknelpunten bij toepassing van de splitsingsvrijstelling weggenomen als in de uitvoeringspraktijk meer aansluiting wordt gezocht bij de jurisprudentie en bij de faciliteiten en antimisbruikbepalingen voor reorganisaties in andere belastingmiddelen.

Voorwaarden splitsingsvrijstelling

Verder pleit de NOB in de reactie voor aanpassing en verduidelijking van de vier voorgestelde voorwaarden van de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting: de ondernemingseis, de soortgelijk belangeis, de voortzettingseis en de aanhoudingseis. De Orde verzoekt onder meer de ondernemingseis te schrappen.

Rechtsbescherming

De NOB merkt op dat de voorgestelde wijziging van de splitsingsvrijstelling geen oog lijkt te hebben voor de rechtspositie van de belastingplichtige en diens rechtsbescherming. De NOB stelt voor om, net als de splitsingsvrijstelling in de Wet VPB 1969, de beslissing van de inspecteur over de toepassing van de splitsingsvrijstelling op een voorgenomen splitsing als een voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken en bovendien, wanneer deze beschikking niet tijdig wordt afgegeven, het niet tijdig nemen van de beslissing als een (afwijzende) beschikking aan te merken. De belastingplichtige krijgt hierdoor de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de rechtbank tegen afwijzende of niet-tijdige beslissingen van inspecteurs.

Opmerkelijke belastingconstructie

De aanpassing van de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting is voor het eerst genoemd bij de publicatie van de Voorjaarsnota 2023 als onderdeel van ‘opmerkelijke belastingconstructies’. De NOB merkt op dat om misbruik te voorkomen bij de toepassing van de splitsingsvrijstelling is in het huidige art. 5c UB BRV een antimisbruikvoorbehoud opgenomen. De wetgever heeft expliciet aansluiting gezocht bij het antimisbruikvoorbehoud zoals dat onder meer is neergelegd in de fiscale EU-Fusierichtlijn. Hoe de toepassing van de splitsingsvrijstelling binnen deze kaders kan worden geduid als een ‘opmerkelijke belastingconstructie’ waarmee niet zou worden gehandeld naar de geest van de wet is onduidelijk. De NOB ziet daar graag een toelichting op.

Lees het hele commentaar.

Bron: NOB

Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer

Informatiesoort: Nieuws

219

Gerelateerde artikelen