De Hoge Raad bepaalt dat bij afstorten van pensioen voor de ex-partner de commerciële waarde op het moment van afstorten het uitgangspunt vormt.

De zaak (14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:276) verloopt als volgt. Een man en een vrouw zijn gehuwd met uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap. Aan de man is pensioen toegezegd. De uitvoering vindt plaats in de BV van de man. Man en vrouw scheiden in 2012. De vrouw eist afstorting van het haar toekomende deel van het in eigen beheer opgebouwde pensioen. Afstorting vindt plaats op 1 januari 2018, daarbij gaat de BV uit van de waarde op de datum van echtscheiding in 2012. De vrouw eist dat de waarde wordt berekend op de hogere waarde op de datum van afstorten in 2018.

Hof Arnhem-Leeuwarden is van mening dat moet worden uitgegaan van de commerciële waarde op het tijdstip van echtscheiding. Het hof overweegt dat de vrouw weliswaar per 1 januari 2018 een hoger bedrag nodig heeft om haar pensioenaanspraak extern te verzekeren, maar acht het – mede gelet op de postrelationele solidariteit – niet redelijk dit ten laste van de man te laten komen. De vrouw is het hier niet mee eens en gaat in cassatie.

De Hoge Raad verwerpt het oordeel van het hof en is van mening dat de commerciële waarde op het moment van afstorten het uitgangspunt vormt. Op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding heeft de vrouw recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen.

In basis wordt de hoogte van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen vastgesteld op het moment van echtscheiding, waarna de vereveningsaanspraak wordt vastgesteld. In geval van in eigen beheer gehouden pensioen moet de BV er voor zorgen dat hetgeen op een later tijdstip wordt afgestort voldoende is voor deze vastgestelde vereveningsaanspraak. Het gaat dus om de hogere commerciële waarde per datum afstorting, 1 januari 2018.

Belang voor de praktijk

In dit specifieke geval is er bijna zes jaar verstreken tussen het tijdstip van echtscheiding en afstorting. Gezien de ontwikkeling van de rente een kostbare aangelegenheid voor de BV. Om te voorkomen dat er tussen ex-echtgenoten onenigheid ontstaat over de waarde van het af te storten pensioen verdient het aanbeveling om sluitende afspraken te maken over het al dan niet (gedeeltelijk) verzekeren.

Onvoldoende kapitaal in BV
In lijn met eerdere jurisprudentie (o.a. HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693) geeft de Hoge Raad aan dat als er op het moment van afstorten onvoldoende kapitaal aanwezig is om de gehele pensioenaanspraak te dekken, het tekort in beginsel zal moeten worden gedeeld. Als het aan de vereveningsplichtige echtgenoot is toe te rekenen dat er een tekort is ontstaan, kan de rechter tot een andere verdeling besluiten.

De rechter kan overigens beslissen dat er geen aanspraak bestaat op (volledige) afstorting als blijkt dat de benodigde middelen niet kunnen worden vrijgemaakt zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen (HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658). Een dergelijke rechtelijke beslissing is uiteraard een momentopname. Als de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van de BV verbetert kan de verplichting tot verzekeren weer herleven.

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Rubriek: Huwelijksvermogensrecht, Pensioenen

Informatiesoort: Nieuws

Carrousel: Carrousel

  492
Gerelateerde artikelen