Vorige week kondigde het ministerie van BZK aan (zie Nieuwsbericht ministerie van BZK, Gemiddelde huurverhoging beperkt tot inflatie, 07-06-2019, 15:00 uur) dat de ministerraad heeft ingestemd met een voorstel van de minister van BZK om een wetsvoorstel in te dienen dat erin voorziet om de gemiddelde huurverhogingen per woningcorporatie vanaf volgende jaar niet hoger te laten zijn dan de inflatie.

Voor extra investeringsruimte zouden woningcorporaties lokaal wel afspraken kunnen maken om de gemiddelde huursomstijging te verhoging met maximaal 1%. Met dat voorstel worden delen van het in december 2018 tussen Aedes en de Woonbond gesloten Sociaal Huurakkoord verwerkt in wet- en regelgeving, aldus het ministerie. In historisch perspectief mag het ogenschijnlijke gemak waarmee het huidige kabinet aansluiting zoekt bij dat Sociaal Huurakkoord enigszins opvallend heten; een van de huidige coalitiepartijen heeft immers aan de wieg gestaan van invoering van de verhuurderheffing en het inkomensafhankelijke huurbeleid in 2013. Maar reflecteren op eigen handelen is binnen de fiscale politiek bepaald geen gewoonte.

Tijdens de parlementaire behandeling van verhuurderheffing is meermaals een koppeling gemaakt tussen de verhuurderheffing en dat inkomensafhankelijke huurbeleid (zie o.a. MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33407, nr. 3 en de brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 28 februari 2013, Kamerstukken II 2012/13, 27926 nr. 193). Laatstgenoemd beleid biedt verhuurders de mogelijkheid om huren met meer dan de inflatie te verhogen, afhankelijk van de hoogte van het huishoudinkomen van de huurder. Ofschoon volgens de toenmalige minister voor Wonen en Rijksdienst van een een-op-een-relatie tussen de verhuurderheffing en het inkomensafhankelijke huurbeleid geen sprake was, kon dat beleid wel worden ingezet om de verhuurderheffing (ten dele) te financieren (zie MvA, Kamerstukken I, 2012/13, 33405, C). Het in juni 2016 verschenen rapport Evaluatie Verhuurderheffing laat evenwel zien dat verhuurders de ruimte die dat huurbeleid biedt voor huurverhogingen niet volledig hebben benut. Indachtig het feit dat het leeuwendeel van de verhuurderheffing (zo’n 90%) wordt opgebracht door woningcorporaties, het hun kerntaak is om huishoudens met een laag inkomen te voorzien van passende huisvesting, en de overheid geen partij is bij de verhuur van woonruimte – het wettelijke kader van de huur(prijs)regulering vormt nauwkeurig beschouwd slechts een ordeningsinstrument –, mag dat niet echt een verrassing heten. Dat neemt de irritatie over de tijdens de parlementaire behandeling gewekte suggestie over de (gedeeltelijke) financierbaarheid van de verhuurderheffing via het inkomensafhankelijke huurbeleid, niet weg. Ik kan mij namelijk niet aan de indruk onttrekken dat destijds bewust een (te) rooskleurig beeld is geschetst over de mate waarin gebruik zou worden gemaakt van het inkomensafhankelijke huurbeleid, om zo de verhuurderheffing mede te rechtvaardigen en ingevoerd te krijgen.

Het is niet voor het eerst dat de medewetgever suggestieve cijfers presenteert over fiscale regelingen op het volkshuisvestelijke vlak, die nota bene grotendeels dezelfde groep belastingplichtigen raken. Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2008 werd aangegeven dat de invoering de integrale vennootschapsbelastingplicht van woningencorporaties zou leiden tot een structurele belastingopbrengst van € 500 mln. per jaar (zie o.a. MvT, Kamerstukken II 2007/08, 31205, nr. 3). Achteraf bleek het ordinair dichten van een budgettair gat van ongeveer € 1 miljard daarbij een niet onbelangrijke rol te spelen (zie mijn column in V-N 2015/21.0). Nadien is gebleken dat ook die raming veel te rooskleurig is voorgespiegeld (zie o.a. het Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden, Kamerstukken II 2017/18, 34775 XVIII, nr. 4 en het deelrapport Politieke Besluitvorming van de parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties, Kamerstukken II 2014/15, 33606, nr. 5). Het op dergelijke wijze financieel onderbouwen van voorgestelde maatregelen oogt op zijn zachtst gezegd weinig fraai, en ondermijnt de legitimiteit daarvan. Wanneer dat meer dan eens gebeurt is dat niet alleen kwalijk, maar ook een overheid onwaardig.

Informatiesoort: Column

Rubriek: Verhuurderheffing

  1382
Gerelateerde artikelen