Afgelopen week besteedde de Tweede Kamer in maar liefst drie debatten uitgebreid aandacht aan het vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven. De aanleiding voor deze politieke aandacht was een drietal recente nieuwsberichten over het mogelijke vertrek van (delen van) bedrijven uit Nederland.

Allereerst was er de berichtgeving dat ASML overweegt om buiten Nederland te investeren. Ook was er het nieuws dat Boskalis overweegt om zijn statutaire zetel naar Abu Dhabi te verplaatsen. Tot slot was er het nieuws dat de nieuwe onderzeeboten voor de Nederlandse marine in Frankrijk gebouwd zullen worden. Het gevolg was dat een groot deel van de Kamer op de bres sprong voor het vestigingsklimaat.

Eerder dit jaar luidde de belangenbehartiger van het bedrijfsleven VNO-NCW al de noodklok over het ondernemingsklimaat. Een onderzoek onder de eigen achterban toonde aan dat driekwart van de ondernemers het ondernemingsklimaat ziet verslechteren. Het grootste punt van zorg daarbij is politieke instabiliteit en onbetrouwbaar beleid. Daarnaast maken bedrijven zich vooral zorgen over de toenemende regeldruk, het tekort aan personeel en de belastingdruk. Een grote steen des aanstoots vanuit het bedrijfsleven waren de aanpassingen van de (vorige) Tweede Kamer op het Belastingplan 2024. In dit licht is het enigszins ironisch dat de Kamer zich nu weer als hoedster van het vestigingsklimaat opstelt.

Lastenverzwaring

In het tweeminutendebat over ‘het Verdienvermogen van Nederland’ werd allereerst vooral het belang van het vestigingsklimaat benadrukt. De VVD, NSC, SGP, BBB, Volt, D66 en JA21 dienden een motie in die uitspreekt “dat een gezond Nederlands vestigingsklimaat een belangrijke rol speelt in het verdienvermogen van Nederland en dit voor de Kamer een zeer hoge prioriteit heeft”. Ook werden er moties ingediend die het kabinet oproepen om met beleidsopties te komen om het vestigingsklimaat te verbeteren. De Kamer vraagt het kabinet om daarbij in het bijzonder oog te hebben voor de halfgeleiderindustrie (o.a. ASML) en de maakindustrie in Nederland.

De Tweede Kamer debatteerde afgelopen week ook over de verhoging van het minimumloon die de (vorige) Tweede Kamer per amendement had afgedwongen. Op dit wetsvoorstel zijn er twee punten van kritiek. Allereerst dat de verhoging van het minimumloon doorwerkt in de AOW, wat betekent dat het voorstel duur is en er geld naar mensen zal gaan die het niet nodig hebben. Daarnaast zijn de SGP, NSC, VVD, CDA, JA21 en BBB kritisch op de dekking. Het sentiment in de Kamer wordt goed verwoord door Van Oostenbruggen (NSC): “ja, het is een goed voorstel om het minimumloon met 1,2% te verhogen, en nee, het is geen goed voorstel om een dekking te hebben die ons bedrijfsleven zo hard raakt.”

Parlementaire agenda

Op dit moment werkt het kabinet nog aan alternatieve dekkingsvoorstellen voor de verhoging van het minimumloon. Deze alternatieven voor de huidige dekking, het verhogen van de tarieven in box 2 en box 3, het verhogen van de bankenbelasting en het afschaffen van de inkoopfaciliteit eigen aandelen, zullen nog voor de Voorjaarsnota met de Eerste en Tweede Kamer worden gedeeld. Dit betekent dat de Tweede Kamer op 19 maart a.s. over dit wetsvoorstel moet stemmen, voordat het zicht heeft op andere dekkingsmogelijkheden. Het is waarschijnlijk dat dit in de behandeling van de Voorjaarsnota zal worden aangepast.

De debatten over het verdienvermogen en de verhoging van het minimumloon laten zien dat een groot deel van de Tweede Kamer het belangrijk vindt om (innovatieve) bedrijvigheid in Nederland te behouden. Tegelijkertijd laten deze debatten zien hoe ingewikkeld het is om de scherpe kantjes van eerder gemaakte politieke keuzes af te vijlen. Het is positief dat de nieuwe Kamer zich wil inspannen voor een beter vestigingsklimaat, maar tegelijkertijd valt te hopen dat de belangrijkste oproep vanuit het bedrijfsleven ook is gehoord: zorg voor stabiliteit en betrouwbaar beleid.

Informatiesoort: Parlementair

Rubriek: Fiscaal ondernemingsrecht

302

Gerelateerde artikelen