Indien een belastingadviseur kwalificeert als medepleger bij een belastingdelict, kan ook deze een boete krijgen of strafrechtelijk worden veroordeeld. Onderdeel van de Wet overige fiscale maatregelen 2020 is art. 67r AWR, op basis waarvan de naam van een dergelijke belastingadviseur openbaar kan worden gemaakt. De wet is aangenomen, ondanks het bezwaar van onder meer de NOB dat deze maatregel feitelijk neerkomt op een levenslang beroepsverbod.

Ook belastingambtenaren kunnen uit hoofde van hun functie te maken krijgen met het strafrecht. Dat betreft onder meer art. 366 Sr. De wetgever heeft hier de titel ‘knevelarij’ aan meegegeven. De delictsomschrijving luidt: "de ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een ander ambtenaar of aan enige openbare kas, vordert of ontvangt of bij een uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is." Naast het belang van de functie, zijn er meer parallellen.

De eerste parallel is enigszins opmerkelijk: niet is vereist dat de pleger van het delict er zelf beter van is geworden. Voor art. 366 Sr is het voldoende dat een bedrag wordt gevorderd of ontvangen "als verschuldigd (...) aan enige openbare kas." In art. 67r AWR staat geen voorwaarde dat de belastingadviseur er beter van is geworden. Of men er zelf beter van is geworden, kan uiteraard wel een rol spelen bij de bepaling van de strafmaat. Een tweede parallel is de mogelijk bijkomende sanctie van het beroepsverbod. Bij de ambtenaar volgt dat uit art. 29 Sr en bij de belastingadviseur uit art. 69 lid 6 AWR. Ik krijg overigens niet de indruk dat deze bepalingen veelvuldig worden toegepast, laat staan levenslang. Een derde parallel is dat er sprake moet zijn van opzet. In art. 67r AWR staat dat met zoveel woorden. In art. 366 Sr volgt dit uit "hij weet dat niet verschuldigd is" (vgl. ook HR 12 juli 2011, 09/03916 M, RvdW 2011/1005).

Zoals ook genoemd tijdens de behandeling van de Wet overige fiscale maatregelen 2020, is voorwaardelijk opzet de lichtste vorm van opzet. Voorwaardelijk opzet is het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat aan de verdere delictsomschrijving wordt voldaan. Opmerkelijk is in dat verband de terughoudendheid in de toeslagenaffaire bij uitspraken over strafrechtelijke aspecten. Er zijn aanzienlijke sommen niet uitbetaald respectievelijk teruggevorderd in strijd met de wet. Zoals gezegd, is voor knevelarij niet vereist dat de ambtenaar er zelf beter van wordt. Ik kan de stukken moeilijk anders lezen dan dat voorts willens en wetens is geaccepteerd dat sommige toeslagen ten onrechte zouden worden stopgezet respectievelijk teruggevorderd. Waarom hier nog twijfel is over de vraag of er een strafrechtelijke norm is geschonden, begrijp ik ook niet zo goed. Er lijkt hier sprake van een terughoudendheid tegenover ambtenaren die al lang niet meer geldt voor belastingplichtigen en belastingadviseur.

Uiteindelijk is er dus één verschil. Bij belastingambtenaren wordt bij een ambtsmisdrijf de naam niet bekendgemaakt, bij belastingadviseurs kan dat nu wel. Zoals door de NOB aangeven, komt dat feitelijk ook neer op een levenslang beroepsverbod. Een beroepsverbod wordt bij ambtenaren nu niet of nauwelijks toegepast, laat staan levenslang. Naar mijn mening past eenzelfde terughoudendheid bij het bekend maken van namen van medeplegende belastingadviseurs. Dat geldt al helemaal voor voorwaardelijk opzet.

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Informatiesoort: Uitvergroot

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

  1169
Gerelateerde artikelen