Binnen de werknemersverzekeringen staat premiedifferentiatie steeds meer centraal, vanuit de gedachte ‘de vervuiler betaalt’ (meer premie).

Zo kennen we sinds 1 januari 2020 premiedifferentiatie in de WW: bij een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is de werkgever over het loon de lage premie van 2,94% verschuldigd en bij andersoortige contracten – veelal met een tijdelijk of flexibel karakter – geldt de hoge premie van 7,94%. Een opslag van 5%-punten derhalve, voor het hogere risico op werkloosheid dat dit type contract in zich bergt.

Bij ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt de ‘veroorzaker’ al veel langer geconfronteerd met hogere lasten. De ultieme vorm is de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte, vanaf medio jaren 90 van de vorige eeuw opgenomen in het BW. De ziektewetuitkering is er alleen nog voor ‘vangnetgevallen’, werknemers met een flex-contract die bij ziekte niet (meer) kunnen terugvallen op een werkgever. Na twee jaar ziekte is er de WGA-uitkering, voor zowel vaste- als vangnetwerknemers, die nog zicht op re-integratie hebben of slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Zonder dat perspectief is er de IVA-uitkering.

Ter financiering van ZW- en (de eerste tien jaar) WGA-uitkeringen wordt de premie Werkhervattingskas (Whk) geheven, met een differentiatie naar risicoprofiel. Bij grote werkgevers wordt voor dit risico gekeken naar de eigen schadelast in vergelijking met andere grote werkgevers. Voor kleine werkgevers wordt het risico sectoraal bepaald en bij middelgrote werkgevers is sprake van een mix. Voor zowel de ZW als de WGA en ongeacht de werkgeversgrootte is er de mogelijkheid van eigenrisicodragen, in welk geval de gedifferentieerde premie Whk nihil bedraagt.

Aof, of voluit Arbeidsongeschiktheidsfonds, zal bij velen weinig of geen herkenning oproepen. Meer kans maakt de naam basispremie WAO/WIA waarmee dit fonds wordt gevoed. Het is de enige premie binnen de werknemersverzekeringen waarop een werkgever geen vat heeft, anders dan door geen mensen in dienst te nemen. De Aof-premie is in de afgelopen jaren stilletjes doch gestaag gestegen van 4,95% in 2014 naar 6,77% in 2020, resulterend in een begrote opbrengst in 2020 van een slordige € 17,5 mld. Wat wordt daaruit betaald?

De grote fondsuitgaven zijn er voor de IVA, de WGA na tien jaar en, niet te vergeten, de WAO. Deze laatste is weliswaar per 2006 vervangen door de WGA/IVA, maar de staartlasten lopen nog jaren door. Voor al deze uitkeringen geldt bovendien dat zij pas eindigen op de ingangsdatum van de AOW. Het naar achteren schuiven van de pensioenleeftijd betekent dus niet alleen langer doorwerken voor de één, doch ook langer een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de ander.

Maar premiedifferentiatie is ook hier in aantocht, naar verwachting per 2022. Beoogd wordt dat (middel)grote werkgevers dan een hoge premie Aof betalen en kleine werkgevers een lagere, met een verschil van ongeveer 1,1%-punt. Met het prikkelen van werkgevers tot ander gedrag heeft deze differentiatie weinig van doen. Het is bedoeld om kleine werkgevers financieel tegemoet te komen in de kosten van loondoorbetaling en re-integratie, een last die op hen relatief veel zwaarder drukt dan op grotere werkgevers. De gedachte is dat zij deze besparing aanwenden voor een MKB-verzuim-ontzorgverzekering.

Voor 2021 is er echter goed nieuws voor alle werkgevers. Het Aof is ten gevolge van de jarenlange premiestijgingen goed gevuld en de premie kan daarom flink omlaag. De indicatie komt op 5,55%, maar het definitieve percentage maakt Minister Koolmees later dit jaar bekend.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Sociale zekerheid ziektekosten, Premieheffing, Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid

  388
Gerelateerde artikelen