Vroeger was het duidelijk: belastingen dienen om geld op te halen voor de overheid. Verder dienen de lasten zo rechtvaardig mogelijk te worden verdeeld, waarbij de kosten voor de overheid en de belastingplichtige zoveel mogelijk worden beperkt. Ook dient de economie zo min mogelijk te worden verstoord. Er kunnen ook nevendoelen worden nagestreefd. In dat laatste geval is uiteraard in zoverre sprake van een opzettelijke verstoring van de economie.

De afgelopen jaren zagen we langzaam een verschuiving. Nevendoelen werden steeds belangrijker. Denk aan de milieubelastingen die mede dienen om gedrag dat niet goed is voor het milieu, te belasten en daarmee te ontmoedigen. Vanuit dat oogpunt loopt de opbrengst van deze belastingen idealiter terug naar nul. Maar tot dat moment blijft het doel toch in elk geval mede om opbrengst te genereren voor de overheid.

Bij de Wet bronbelasting 2021 gaat de wetgever echter nog een stap verder. Het enige doel is het de facto verbieden van bepaald gedrag. Tijdens de parlementaire behandeling is veelvuldig gewezen op het prohibitieve karakter van deze heffing. De verwachte opbrengst is nihil, het genereren van opbrengst lijkt niet eens meer een nevendoel. En nu komt er in 2024 ook nog een bronheffing voor dividenden naar tax havens bij.

Naar mijn mening is het op zich geen bezwaar dat een belasting geen opbrengst kent. Maar als wordt gekozen voor een belasting, dienen daarbij wel de normale uitgangspunten voor belastingen te worden gerespecteerd. Een daarvan is dat de belasting niet leidt tot dubbele heffing over hetzelfde inkomen. Bronbelasting, geheven van een in Nederland belastingplichtige vaste inrichting, kan echter niet worden verrekend. Een ander punt is dat het tarief niet onredelijk mag zijn. Bij een heffing over de bruto-opbrengst past dan een lager tarief, zeg maximaal 15%.

De motivering van de wetgever voor het prohibitieve karakter is dat er sprake zou zijn van misbruik. Misbruik is volgens mij gebruik van een faciliteit voor een ander doel dan waarvoor die is bestemd. Hier is veelal alleen sprake van ongewenst gedrag. Maar noch misbruik noch ongewenst gedrag zou reden mogen zijn om de voornoemde uitgangspunten te laten varen.

De ‘botte bijl-benadering’ die is gehanteerd in de Wet bronbelasting 2021 leidt uiteindelijk tot extra weerstand. Belastingplichtigen zullen stellen dat het om een strafsanctie gaat. Of dat juridisch zal houden, valt te betwijfelen. Maar moreel is het wel zo bedoeld en daarmee staat de Belastingdienst gelijk één-nul achter.

Belangrijker is nog dat een dergelijke ‘botte bijl-benadering’ geen enkel voordeel biedt. Het is niet gericht op de opbrengst, de gebudgetteerde opbrengst is immers nul. Economisch gezien voegt het niets toe aan de gewenste afschrikking. Het enige is dat een minder botte bijl wellicht iets minder stoer klinkt als staatssecretaris. Maar dat is toch niet het doel?

Onduidelijk is nog of het een echt nieuwe bronheffing op bepaalde dividenden wordt, een uitbreiding van de Wet bronbelasting 2021 naar bepaalde dividenden of een uitbreiding van de huidige Wet op de dividendbelasting 1965. Het laatste zou mijn voorkeur verdienen, maar ik hoop in elk geval dat de botte bijl wordt verlaten. En wat mij betreft zou men dan gelijk de Wet bronbelasting 2021 kunnen fatsoeneren.

Rubriek: Bronbelasting

Informatiesoort: Uitvergroot

Carrousel: Carrousel

  566
Gerelateerde artikelen