Onderdeel van het vorig jaar aangenomen Belastingplan 2021 is een aanpassing van de verliesverrekening per 2022. Deze aanpassing is toegevoegd bij nota van wijziging en met stoom en kokend water door het parlement geduwd. Voorzien was in inwerkingtreding bij koninklijk besluit, indien en wanneer er een positieve uitvoeringstoets zou zijn.

Die uitvoeringstoets kwam pas in mei 2021. En die uitvoeringstoets was weliswaar positief, maar wel met een toevoeging. Die toevoeging kwam er, kort gezegd, op neer dat het hierna voor de komende jaren niet meer mogelijk zou zijn om grotere wijzigingen in de ICT-systemen aan te brengen voor wat betreft de vennootschaps- en dividendbelasting.

Waar in Tweede Kamer aan de lopende band vragen worden gesteld die niet alle even relevant zijn, bleef het dit keer angstwekkend stil. Gelukkig hebben we ook nog een Eerste Kamer, hier een ware Chambre de Réflection. De Eerste Kamer heeft vragen gesteld welke recent zijn beantwoord (zie nader V-N 2021/51.8). De antwoorden bevestigen wat ik al vreesde, toen ik de uitvoeringstoets las: de ICT-capaciteit kan de komende jaren wel eens leidend worden bij (ingrijpende) (wets)wijzigingen. Denk bijvoorbeeld dat een aanpassing van box 3 naar een heffing over het werkelijk rendement pas later mogelijk is bij gebrek aan capaciteit om de ICT-systemen aan te passen. De Staatssecretaris van Financiën heeft al aangegeven dat dit niet eerder dan pas in 2025 kan plaatsvinden.

Duidelijk zal zijn dat dit in elk geval in potentie een zeer verstrekkend bericht is. De staatssecretaris probeert nog wel het primaat van de politiek te redden door op te merken dat dit betekent dat bij meerdere (ingrijpende) wijzigingsvoorstellen de politiek keuzes zal moeten maken. Het komt mij voor dat die keuzevrijheid toch wel eens beperkt zou kunnen blijken. Ik vrees dat de mate waarin een wijziging aanpassing van de systemen met zich brengt, in elk geval medebepalend zal worden bij de keuze om de wijziging door te voeren. Dat is op zich al zorgwekkend.

Wat mij in dit verband echter nog grotere zorgen baart, is dat de staatssecretaris aanpassingen in verband met nieuw beleid afzet tegen de modernisering van de ICT-systemen, het verbeteren van de dienstverlening aan burgers en bedrijven en het op orde brengen van de informatievoorziening. Dat is in wezen een afweging tussen politiek gewin op de korte termijn (in de vorm van nieuw beleid) en werkende ICT-systemen op de lange termijn (door modernisering van de ICT). Naar mijn mening zou de blik vooral op de lange termijn moeten zijn gericht, al was het maar omdat dan in de toekomst weer meer mogelijk zou moeten kunnen worden. Juist het voorbeeld van de aanpassing van de verliesverrekening doet me dan ook het ergste vrezen. Het bij nota van wijziging bij een Belastingplan invoeren van een zodanig ingrijpende wijziging in het systeem is bij uitstek een voorbeeld van het prioriteit geven aan de politieke wensen op de korte termijn.

In zijn beantwoording van de vragen wijst de staatssecretaris er fijntjes op dat de aanpassing van de verliesverrekening mede het gevolg was van een verzoek van de Tweede Kamer. Ik hoop dat wat dat betreft de Eerste Kamer de komende jaren (nog meer) als Chambre de Réflection zal optreden en zal proberen ook de langetermijndoelen in het oog te houden, ook – of misschien wel met name – voor wat betreft de ICT. Ook al betekent dit dat politieke stokpaardjes even op stal moeten blijven.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

  620
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen
MUST READ, COLUMNS