In Vakstudie Nieuws refereerde Edwin Heithuis al aan een van de grootste fiscaal-, staats- en bestuursrechtelijke dieptepunten van de afgelopen jaren: de toeslagenaffaire. Tienduizenden ouders die door de overheid als vermeende fraudeur zijn weggezet en zich geconfronteerd zagen met een ontspoorde overheid die torenhoge bedragen aan kinderopvangtoeslag terugvordert. Maar hoe zit het met de huurtoeslag?

Naar aanleiding van de toeslagenaffaire is de roep om een (grondige) herziening van dat toeslagenstelsel groot. Diverse politieke partijen geven in hun verkiezingsprogramma voor de aankomende Tweede Kamerverkiezingen aan dat toeslagenstelsel te willen aanpassen (zie onder andere M. Bouman, 'Radicale sluiting van toeslagencircus, daar moet het debat overgaan', FD 05-12-2020). En het kabinet zelf heeft afgelopen december de 'Eindrapportage Alternatieven voor het toeslagenstelsel' aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin zijn verschillende alternatieven voor een volgend kabinet uitgewerkt om dat stelsel geheel of gedeeltelijk te hervormen of zelfs af te schaffen.

Hoewel die roep om aanpassing van het toeslagenstelsel zeker te begrijpen valt, dient men ervoor te waken dat de (politieke) aanpassingsdrift niet uitmondt in 'het-kind-met-het-badwater-weggooien'. Niet alles aan het toeslagenstelsel is zonder meer kommer en kwel en dient daarom te worden aangepast.

Een van de toeslagen die in de praktijk redelijk lijkt te functioneren, is de huurtoeslag. De Toeslagenaffaire gaat ook niet zozeer over die toeslag, wat overigens niet wil zeggen dat daaraan geen gebreken kleven, want het tegendeel is waar. Zo hangt de toekenning en omvang van de huurtoeslag van een groot aantal factoren af die deels buiten de directe invloedsfeer van de overheid liggen (onder meer inkomensontwikkeling, gezinssamenstelling en huurprijs), kan het economisch gezien moreel wangedrag oproepen (onder meer huurprijsopdrijving en overconsumptie) en sluit het aan bij een (gebrekkig) fiscaal inkomensbegrip.

De huurtoeslag is dus niet perfect, maar dat wil nog niet zeggen dat die toeslag daarom maar ten grave moet worden gedragen. Gelukkig laat voormelde eindrapportage verschillende alternatieven zien, waaronder het vereenvoudigen en verkleinen van de huurtoeslag (zie hoofdstuk 4 van die rapportage). En ook uit andere kampen valt een genuanceerder geluid te beluisteren (zie onder andere H. Priemus en P. Boelhouwer, 'Toekomst van de huurtoeslag', ESB 18 januari 2018 en M. de Langen, 'Handen af van de huurtoeslag', Aedes-Magazine editie 4-2020).

Neemt niet weg dat de toeslagenaffaire wel uitnodigt om ook de vormgeving en het functioneren van de huurtoeslag eens goed onder de loep te nemen. Wat te denken van de omslachtige wijze waarop 'de basishuur' – de eigen bijdrage voor de huurtoeslag – wordt vastgesteld? Die eigen bijdrage is afhankelijk van de samenstelling van het huishouden van de huurder, de leeftijd van de leden van dat huishouden, de hoogte van het huishoudinkomen en kent bovendien een aantal vaste componenten die deels ook weer afhangen van die huishoudenssamenstelling.

En ook bij het schoksgewijs dalende verloop van het subsidiepercentage (van 100 naar 65 en vervolgens 40) valt wel een kanttekening te plaatsen. Waarom niet een meer lineaire afbouw? Voorts kan men zich afvragen waarom wordt aangesloten bij de overeengekomen huurprijs, wat prijsopdrijvend werkt en niet bij een genormeerde huur?

En waarom wordt die toeslag niet rechtstreeks uitbetaald aan verhuurders (veelal woningcorporaties)? Kortom, voldoende redenen om zich eens goed te buigen over de huurtoeslag zonder deze direct helemaal af te serveren. Daarvoor is de huurtoeslag een te belangrijk volkshuisvestelijk instrument in de toch al krappe (huur)woningmarkt.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Toeslagen en zorgverzekeringswet

Carrousel: Carrousel

  476
Gerelateerde artikelen