We schrijven 19 januari 2021. De motie-Jetten/Marijnissen roept de regering op om buiten twijfel te stellen dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) leidend zijn, indien strikte toepassing van formele wetten tot materieel onaanvaardbare uitkomsten leidt. Dezelfde dag doet Hof Amsterdam in die geest uitspraak in een overdrachtsbelastingzaak.

Wanneer de koopprijs van een onroerende zaak afwijkt van de waarde in het economische verkeer (wev), dan bepaalt art. 9 Wet BRv 1970 dat overdrachtsbelasting is verschuldigd over het hoogste bedrag. Oftewel, onroerende zaak A (koopsom: 500/wev: 100) en onroerende zaak B (koopsom: 100/wev: 500) hebben beiden 500 als maatstaf van heffing. Hof Amsterdam beslist dan ook dat bij verkrijging van een vastgoedportefeuille de maatstaf van heffing hoger kan zijn dan de afgesproken koopsom vanwege de optelsom van afzonderlijke belaste verkrijgingen. Tot zover weinig nieuws.

Verrassend is de uitsmijter in r.o. 5.5.3. Het hof (ECLI:NL:GHAMS:2021:483) merkt op dat: "(...) bijvoorbeeld in een geval waarin (...) een geschil bestaat over de vraag of deze totaalprijs op de juiste wijze aan elke afzonderlijke onroerende zaak is toegerekend, (...), het niet in de rede ligt dat de inspecteur enkel de in zijn ogen 'te laag gewaardeerde panden' uit die portefeuille in zijn beschouwing betrekt zonder daarbij rekening te houden met – hetgeen daar logischerwijs uit voortvloeit – de te hoog gewaardeerde panden. Partijen kunnen in dergelijke gevallen dan ook aanleiding vinden voor het bereiken van een compromissoire oplossing waarbij de (zakelijk bepaalde) totaalprijs van de hoofdovereenkomst leidend is."

Lees ik het goed, dan lijkt het hof het evenredigheidsbeginsel (met een vleugje 'fair play') op te voeren. Toepassing van dit abbb-onderdeel is echter begrensd door het wettelijk voorschrift (art. 3:4 Awb). De goede bedoelingen ten spijt, art. 9 Wet BRv 1970 biedt de inspecteur nauwelijks ruimte voor de belangenafweging die het hof voorstaat. Het lijkt mij ook niet dat de abbb zo ver gaan dat het hof een nieuwe maatstaf van heffing kan creëren voor andere dan individuele verkrijgingen.

De motie-Jetten/Marijnissen (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 15) roept verder op tot verankering van de abbb in de Awb. Wellicht is dit geïnspireerd door een eerder voorstel van Scheltemain 'Wetgeving in de responsieve rechtsstaat' (RegelMaat 2018/3, p. 128). Hij concipieerde art. 3:4a Awb (nieuw): "Indien de toepassing van een wettelijke regel leidt tot nadelige gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met die regel te dienen doelen, en de belanghebbende hiervan geen verwijt kan worden gemaakt, kan van de regel worden afgeweken voor zover dat nodig is om tot een meer evenwichtige regeltoepassing te komen."

Ik kan mij voorstellen dat een dergelijke codificatie uitkomst biedt in situaties, waarin sprake is van een (klein) formeel gebrek met (grote) fiscale gevolgen voor belanghebbende. Bij materiële gebreken ligt dat lastiger. Stel bijvoorbeeld dat een verkoop binnen een fatale termijn bij de één wel tot terugname van een vrijstelling leidt en bij de ander niet vanwege diens omstandigheden. Maatwerk leidt dan tot ongelijke behandeling. De wetgever, uitvoerders en rechters wacht een lastige opgave. En de Tweede Kamer? Die gaat over tot de orde van de dag.

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingen van rechtsverkeer

Informatiesoort: Uitvergroot

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

  645
Gerelateerde artikelen