Volgend jaar wordt de eigenwoningregeling geëvalueerd. Dat een van de conclusies zal zijn dat de regeling ‘best wel’ ingewikkeld is geworden, staat nu al vast. Het is wel de vraag hoe breed deze evaluatie zal zijn. 

Dat de bijleenregeling en de fiscale aflossingseis hiervan onderdeel zullen uitmaken, lijkt evident. Maar hoe zit het met onderwerpen in de periferie? Ik kan er vele noemen, maar eentje in het bijzonder trok mijn aandacht. In een recente uitspraak van Rechtbank Noord-Holland (V-N 2018/34.5) heeft een echtpaar een eigen woning met een tuinhuis. Vanaf 2015 verhuren zij het tuinhuis incidenteel aan toeristen. De centrale vraag: zijn de huurinkomsten belast?

Volgens de inspecteur is de tijdelijke verhuurregeling (art. 3.113 Wet IB 2001) van toepassing. De rechtbank denkt daar anders over: deze regeling geldt alleen bij verhuur van de gehele woning. Wettekst en wetsgeschiedenis zijn op dat punt duidelijk, aldus de rechtbank. De conclusie van de rechtbank is dat de huurinkomsten wegvallen in het eigenwoningforfait en daarmee feitelijk onbelast blijven. Het zal er wel op neerkomen dat de Hoge Raad hierover uiteindelijk mag oordelen. Het duurt nog wel even voordat het zover is. Natuurlijk kan de wetgever in de tussentijd ingrijpen, als het inderdaad zo onwenselijk is dat de incidentele verhuurbaten onbelast zijn.

Het is duidelijk dat de kamerverhuurvrijstelling (art. 3.114 Wet IB 2001) niet van toepassing is op incidentele verhuur van een gedeelte van de woning. De regeling van de kamerverhuurvrijstelling geldt immers alleen bij structurele verhuur. De regeling is indertijd getroffen om de kamernood onder vooral studenten te verkleinen. Heeft het geholpen? Als ik de berichtgeving hierover mag geloven, niet. Daarbij, het is wel wat merkwaardig dat we een kamerverhuurvrijstelling voor heel Nederland kennen, terwijl het op te lossen probleem slechts speelt in een aantal steden. Kun je de kamerverhuurvrijstelling dan niet beter vervangen door een (plaatselijke) subsidieregeling? Iets soortgelijks zien we bij de monumentenaftrek. Ook die wordt omgebogen naar een subsidieregeling, als dit plan van het kabinet niet (opnieuw) voortijdig sneuvelt natuurlijk. Verder, als de regeling van de kamerverhuurvrijstelling in zijn huidige vorm blijft bestaan, is het nogal opmerkelijk dat iemand in een plattelandsgemeente de huuropbrengst onder gebruikmaking van de kamerverhuurvrijstelling zo in zijn zak kan steken, terwijl zijn buurman die ook een graantje wil meepikken en incidenteel een kamertje verhuurt aan toeristen, naar het oordeel van de Belastingdienst belasting moet betalen over die inkomsten. Dat onderscheid lijkt mij niet goed te rechtvaardigen.

Andersom, als we ervan uitgaan dat het standpunt van de rechtbank stand houdt - en de wetgever niet ingrijpt - is het dan wel te rechtvaardigen dat iemand die zijn gehele woning tijdelijk verhuurt, wel belasting moet betalen, terwijl degene die slechts een kamer (of een tuinhuisje) incidenteel verhuurt de huurbaten ziet wegvallen in het eigenwoningforfait? Dat lijkt mij ook niet in de haak. De meest rechtvaardige oplossing? Breid, zo nodig, de werkingssfeer van de tijdelijke verhuurregeling uit en vervang de kamerverhuurvrijstelling door een subsidieregeling.

Lees ook de antwoorden van de staatssecretaris op kamervragen over de uitspraak van rechtbank Noord-Holland.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Inkomstenbelasting

  2715
Gerelateerde artikelen