Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de aanspraak op de dwangsom, die niet kan worden aangemerkt als een vergoeding van geleden (immateriële) schade, voortvloeit uit de rechtspositie die de heer X als militair ambtenaar heeft ten opzichte van de Minister van Defensie.

De heer X is een militaire ambtenaar. Als gezagvoerder van een helikopter raakt hij in conflict met het Ministerie van Defensie over de toekenning van het aantal vliegpunten. Aangezien de Commandant Zeestrijdkrachten niet tijdig op het bezwaar van X heeft beslist, heeft deze op grond van art. 4:17 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een dwangsom verbeurd van € 120. Deze dwangsom is in december 2014 aan X uitbetaald. In geschil is of hierover terecht loonheffing is ingehouden.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de aanspraak op de dwangsom, die niet kan worden aangemerkt als een vergoeding van geleden (immateriële) schade, voortvloeit uit de rechtspositie die X als militair ambtenaar heeft ten opzichte van de Minister van Defensie. De dwangsom komt toe aan X in zijn hoedanigheid van werknemer, zodat de dwangsom onder het ruime loonbegrip valt van art. 10 lid 1 Wet LB 1964. Het is niet van belang dat de dwangsomregeling in de Awb staat. X beroept zich ook vergeefs op de uitzondering van HR 10 augustus 2001, nr. 36.061, V-N 2001/44.17, aangezien het aldaar genoten voordeel (een milieuprijs) van derden werd genoten. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 4:17

Wet op de loonbelasting 1964 10

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Loonbelasting

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Editie: 12 december

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen