Op 15 december 2021 hebben fractievoorzitters Rutte (VVD), Kaag (D66), Hoekstra (CDA) en Segers (CU) het coalitieakkoord “Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst“ gepresenteerd.

Hieraan ontlenen wij de volgende fiscale maatregelen:

• Box 2: Het wetsvoorstel excessief lenen wordt aangepast, waarbij de grens wordt verhoogd van € 500.000 naar € 700.000;

• De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (BOR) in de erf- en schenkbelasting en de inkomstenbelasting: In deze kabinetsperiode wordt in samenhang met de evaluatie van de BOR die in 2022 wordt afgerond, onderzocht hoe de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kunnen worden verbeterd en oneigenlijk gebruik van de regeling kan worden tegengegaan, zodat de regeling wordt gebruikt waarvoor deze bedoeld is;

• De zelfstandigenaftrek wordt vanaf 2023 met stappen van € 650 (inclusief basispad, laatste twee jaar in stappen van € 605) verder teruggebracht tot € 1200 in 2030. Zelfstandigen worden gecompenseerd via de verhoging van de arbeidskorting;

• Grondslag VPB: De CFC-maatregel (Commissie Ter Haar) wordt ingevoerd. Ook wordt OESO Pillar II ingevoerd. De opbrengst is nog onzeker. Mocht dit niet tot de gewenste besparing leiden, dan wordt gekeken naar andere grondslagverbreding, het lage VPB-tarief en/of de schijflengte in de VPB waarbij het vestigingsklimaat, en de positie van het mkb in ogenschouw wordt genomen;

• Per 2025 wordt een nieuw box 3-stelsel op basis van reëel rendement worden ingevoerd, waarbij inkomsten uit vermogen worden belast op basis van werkelijk rendement. Vooruitlopend daarop zal per 2023 de leegwaarderatio worden afgeschaft, waardoor de belasting van het rendement op verhuurd vastgoed in box 3 meer zal gaan aansluiten bij de praktijk. De vrijstelling in box 3 wordt verhoogd naar ca. € 80.000. In het nieuwe box 3-stelsel zal sparen en beleggen direct op reëel rendement worden belast; de waardeontwikkeling van vastgoed zal aanvankelijk echter nog forfaitair worden belast, waarbij zo snel als mogelijk de overstap wordt gemaakt naar werkelijk rendement;

• De verruimde schenkingsvrijstelling eigen woning wordt per 2024 geschrapt: De opbrengst van het afschaffen van deze regeling is afkomstig uit toekomstige schenkingen en nalatenschappen waardoor het structurele niveau na 20 jaar wordt bereikt;

• De overdrachtsbelasting voor niet-woningen én op verkrijgingen van woningen door rechtspersonen en particulieren die niet zelf langdurig in de woningen gaan wonen wordt per 2023 verhoogd van 8% naar 9%;

• De middelingsregeling in de IB wordt per 2023 afgeschaft;

• Vanaf 1 januari 2024 wordt de onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd;

• De verhuurderheffing wordt afgeschaft;

• De verbruiksbelasting op niet-alcoholische dranken exclusief mineraalwater wordt aangescherpt. Om te voorkomen dat over bier minder accijns moet worden betaald dan over frisdrank wordt het minimumtarief van bier ook verhoogd. Deze maatregel gaat in per 2023. Uitzonderen van mineraalwater is per 2024 mogelijk;

• Het nieuwe kabinet heeft de ambitie om de toeslagen af te schaffen en zet hiervoor deze kabinetsperiode de eerste stappen. Het kabinet heeft de ambitie het belastingstelsel te vereenvoudigen en te hervormen en zetten ook daartoe de eerste stappen;

• Nederland gaat intensief samenwerken met gelijkgezinde EU-landen, bijvoorbeeld bij het tegengaan van belastingontwijking;

• Het kabinet zet in op digitale dienstenbelasting, vliegtaks, CO2-grensheffing en minimum tarief voor winstbelasting om oneerlijke concurrentie tussen EU-lidstaten te voorkomen. Deze worden in principe nationaal geïncasseerd;

• Er wordt een nieuwe financieringssystematiek mede-overheden voor de periode na 2025 uitgewerkt, waarbij de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Daarbij worden ook alternatieven voor de OZB en MRB in de beschouwing betrokken.

• Het nieuwe kabinet ondersteunt de voorstellen van de Europese Commissie voor een belasting op kerosine op EU-niveau. Eveneens ondersteunt het kabinet de voorstellen over de vergroening van de scheepvaart. Men wil weglekeffecten zoveel mogelijk voorkomen. De beschikbaarheid van walstroom voor schepen wordt verder uitgebreid;

• De vliegticketbelasting wordt verhoogd;

• De belasting op suikerhoudende dranken en de accijnzen op tabak worden verhoogd. De tabaksaccijns wordt verhoogd naar ca. € 10 per pakje. Dit gebeurt in 2 opvolgende stappen, zoals voorgesteld in het preventieakkoord;

• Het kabinet beziet hoe op termijn een suikerbelasting kan worden ingevoerd en de BTW op groente en fruit naar 0% kan worden verlaagd;

• De huidige CO2-heffing industrie aan de marge wordt aangescherpt, zodat ten opzichte van de huidige reductiedoelstelling van 14,3 Mton een extra CO2-reductie wordt gerealiseerd van 4 Mton in 2030. Aanscherping vindt plaats via een aanpassing van het aantal dispensatierechten en het tarief. De budgettaire opbrengst is nul euro;

• Per 1 januari 2023 wordt een CO2-minimumprijs voor de industrie ingevoerd. Deze minimumprijs beoogt investeringszekerheid te bieden en geldt als bodem voor de verwachte ETS-prijs. De minimumprijs gaat niet werken als een vlakke heffing en blijft daarmee onder de verwachte ETS-prijs. De belastingplichtigen zijn gelijk aan die van de huidige CO2-heffing industrie. De budgettaire opbrengst is nul euro.

• De tariefstructuur van de energiebelasting wordt minder degressief gemaakt door de tarieven in de hogere verbruiksschijven gas en elektriciteit te verhogen. Deze maatregel hangt samen met de voorgestelde aanpassingen in de richtlijn ETD uit Fitfor55;

• Ten opzichte van de tarieven in het basispad van de Opslag Duurzame Energie- en klimaattransitie (ODE), worden de ODE-tarieven van de 2e en 3e schijf elektriciteit per 2023 verlaagd;

• In de motie Hermans (Kamerstuk 35925, nr. 13; V-N 2021/41.20) is verzocht om vanaf 2022 met € 500 miljoen het belastingdeel van de energierekening te verlagen. Na het tijdelijke compensatiepakket voor de hoge energieprijzen is vanaf 2023 nog € 300 miljoen beschikbaar. Hiervan wordt vanaf 2023 structureel € 75 miljoen ingezet als gedeeltelijke dekking voor het verlagen van het ODE-tarief 2e en 3e schijf elektriciteit. Hiervan wordt per 2023 € 225 miljoen ingezet als dekking voor de compensatie van de hogere energierekening door de bijmengverplichting groen gas;

• Afschaffen vrijstellingen EB – mineralogische en metallurgische procedés – energiebelasting: De vrijstelling en teruggaafregeling in de energiebelasting (aardgas en elektriciteit) voor metallurgische en mineralogische procedés wordt per 1 januari 2025 afgeschaft. De budgettaire opbrengst bedraagt in 2025 € 78 miljoen. Mogelijke interactie-effecten worden meegenomen bij de vaststelling van de tarieven voor de ingeboekte maatregelen binnen de energiebelasting/ODE;

• Het tarief 1e schijf gas in de energiebelasting wordt in de periode 2023-2028 verhoogd met 5,23 cent/m3;

• Het tarief 1e schijf elektriciteit in de energiebelasting wordt in de periode 2023-2028 verlaagd met 5,23 cent/kWh. Uitgangspunt is dat samen met de andere maatregelen in de energiebelasting en ODE, het tarief 1e schijf (EB en ODE) niet lager komt te liggen dan het tarief in de 2e schijf (EB en ODE).

• Gasleveranciers worden vanaf 2023 verplicht om een aandeel van groen gas bij te mengen in het gasnetwerk. Dit aandeel loopt op naar 20% in 2030;

• Ter compensatie voor de verwachte stijging van de leveringstarieven door de bijmengverplichting groen gas, wordt het belastingdeel van de energierekening voor huishoudens per 2023 structureel met taakstellend € 225 miljoen verlaagd via de belastingvermindering in de energiebelasting;

• De inputvrijstelling in de energiebelasting voor verbruik van aardgas bij elektriciteitsopwekking wordt voor warmtekrachtkoppeling systemen (WKK’s) per 1 januari 2025 beperkt tot het aardgas dat wordt aangewend voor de productie van elektriciteit dat wordt geleverd aan het net. Mogelijke interactie-effecten worden meegenomen bij de vaststelling van de tarieven voor de taakstellend ingeboekte maatregelen binnen de energiebelasting/ODE;

• Het verlaagd tarief in de energiebelasting voor glastuinbouwbedrijven wordt per 1 januari 2025 afgeschaft. Mogelijke interactie-effecten worden meegenomen bij de vaststelling van de tarieven voor de taakstellend ingeboekte maatregelen binnen de energiebelasting/ODE.

• In 2030 wordt een MRB Plus (kilometerbeprijzing) ingevoerd met een vlak kilometertarief voor alle personen- en bestelauto’s. In deze kabinetsperiode wordt wetgeving vastgesteld. Basis voor het systeem is de motorrijtuigenbelasting, waarvan het tarief afhankelijk wordt gemaakt van het jaarlijks verreden aantal kilometers. De heffing is niet tijd- en plaatsgebonden en vervangt de dan nog bestaande tol-tracés. Gebruikers van elektrische en fossiele auto’s gaan beiden meebetalen aan het weggebruik. De MRB Plus wordt budgetneutraal ingevoerd. Dit betekent dat belastingderving (minder accijnsinkomsten en minder BPM, voor een klein deel gecompenseerd door meer inkomsten uit energiebelasting en MRB-inkomsten) terugkomt in de tarieven van de MRB Plus vanaf het moment van invoering. De derving door grondslagerosie door de groei van het aantal EV’s (personen- en bestelauto’s) wordt opgevangen vanaf 2030 binnen de MRB Plus. Het belastingniveau dat wordt aangehouden als referentie voor het opvangen van de grondslagerosie is het voor EV-stimulering gecorrigeerde belastingniveau in 2025, het jaar waarin de EV-stimulering van het Klimaatakkoord grotendeels afloopt;

• Afbouwen vrijstelling BPM bestelauto’s ondernemers: In de BPM geldt momenteel een vrijstelling voor bestelauto’s van ondernemers. Deze vrijstelling wordt per 1 januari 2024 in drie stappen naar nul afgebouwd in 2026. Hierna is het reguliere BPM-tarief voor bestelauto’s ook van toepassing voor ondernemers. De vrijstelling in de BPM voor emissievrije bestelauto’s blijft wel bestaan;

• De vliegbelasting wordt per 2023 verhoogd;

• Het budget van de Energie-investeringsaftrek wordt per 1 januari 2023 met € 50 miljoen structureel verhoogd;

• Het budget van de Milieu-investeringsaftrek wordt per 1 januari 2025 met € 30 miljoen structureel verhoogd;

• De huidige koppeling tussen de SDE kasuitgaven en de opbrengst van de ODE wordt vanaf 2022 losgelaten. In de periode 2022-2030 wordt cumulatief € 1572 miljoen van de SDE-reserve ingezet en toegevoegd aan de beschikbare middelen voor kasuitgaven in de SDE.

• Griffierechten worden per 2024 verlaagd;

• Voor laagdrempelige fiscale rechtshulp en directe fiscale bijstand aan burgers wordt structureel € 14 miljoen gereserveerd.

[Nieuwsbron] [Nieuwsbron]

Rubriek: Belastingrecht algemeen

Informatiesoort: VN Vandaag

Regelgevende instantie: Ministerie van Algemene Zaken

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

Editie: 16 december

  2501
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen