De Hoge Raad oordeelt dat het onderscheid dat art. 16a lid 1 maakte met betrekking tot de tarieftoepassing tussen personenauto’s, al naar gelang zij voor of na de inwerkingtreding van een tariefverhoging in het Nederlandse kentekenregister waren ingeschreven, vanaf 2012 evident van redelijke grond was ontbloot. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om rechtsherstel te bieden.

X bv doet BPM-aangifte voor diverse uit andere EU-lidstaten afkomstige auto’s. De auto’s zijn in januari en februari 2017 in een andere lidstaat voor het eerst toegelaten op de weg maar daarna niet of nauwelijks gebruikt. Ten tijde van registratie in het Nederlandse kentekenregister waren de auto's niet aan te merken als een gebruikte personenauto. In geschil is de naheffingsaanslag over 2017. X bv stelt dat het lagere BPM-tarief van 2016 moet gelden (art. 16a lid 1 Wet BPM 1992). De dertig auto’s zijn namelijk in de eerste twee maanden van 2017 in een andere lidstaat toegelaten tot het verkeer op de weg. Hof Den Haag heeft geoordeeld dat X bv niet met een beroep op artikel 110 VWEU de toepassing van het tarief van 2016 kan afdwingen. De door X bv bepleite, in al haar onderdelen toe te passen vergelijkingsmethodiek geldt naar het oordeel van het hof niet voor in het buitenland aangekochte nieuwe personenauto’s. X bv gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het onderscheid dat art. 16a lid 1 maakte met betrekking tot de tarieftoepassing tussen personenauto’s, al naar gelang zij voor of na de inwerkingtreding van een tariefverhoging in het Nederlandse kentekenregister waren ingeschreven, vanaf 2012 evident van redelijke grond was ontbloot. Het vormt daardoor sindsdien een discriminatie. Vanaf 2012 staat het BPM-bedrag namelijk niet meer op het kentekenbewijs, zodat het na een tariefwijziging niet meer nodig is om deze door een nieuw kentekenbewijs te vervangen. Er hoeft door de rechter geen rechtsherstel te worden geboden voor de inbreuk vanaf 2012 op het EU-recht. Dit moet worden overgelaten aan de wetgever. Voor ingrijpen van de rechter kan wel aanleiding bestaan indien de wetgever na kennisneming van een arrest waarin de Hoge Raad discriminatie vaststelt, nalaat zelf een regeling te treffen die deze discriminatie opheft.

Vanaf 2022 is de discriminatie echter opgeheven, omdat de BPM sindsdien in beginsel wordt geheven ter zake van de inschrijving van een auto in het Nederlandse kentekenregister. Art. 16a lid 1 bepaalt sinds 2022 dat een tariefwijziging van toepassing is op een personenauto die op het moment van inwerkingtreding daarvan al is ingeschreven in het Nederlandse kentekenregister, dus ten aanzien waarvan het belastbare feit voordien al heeft plaatsgevonden, indien de tenaamstelling van de personenauto meer dan twee maanden na die inwerkingtreding plaatsvindt. Deze regeling is ingevoerd om te vermijden dat een personenauto langer dan twee maanden na een tariefsverhoging nog kan worden te naam gesteld en verkocht met toepassing van het oudere lagere tarief. De nieuwe regeling is niet discriminerend.

Het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU wordt niet geschonden. Het beroep van X bv is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 16a

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Europees belastingrecht

Editie: 6 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

Carrousel: Carrousel

  401
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen