Het agrarisch bedrijf van X kent drie takken. De boekwinst gemaakt bij de verkoop van één tak wil hij doorschuiven. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat dit in dit geval niet mogelijk is, noch op grond van art. 3.54 noch op grond van art. 3.64 Wet IB 2001.

X exploiteert een pluimveebedrijf, houdt zich bezig met activiteiten op het gebied van paarden (paardentak) alsmede op het gebied van akkerbouw (akkerbouwtak). X is voor 75% arbeidsongeschikt verklaard. In februari 2012 verkoopt X het pluimveebedrijf. De paardentak is uitgebreid met een tweede hal die op vergelijkbare wijze als de eerste hal wordt verhuurd aan ruiters. X vormt een herinvesteringsreserve (HIR) voor de boekwinst die is behaald met de verkoop van het pluimveebedrijf. De inspecteur weigert de HIR en is ook niet bereid de doorschuiffaciliteit van art. 3.64 Wet IB 2001 toe te passen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de HIR niet kan worden toegepast omdat de paardentak geen bron van inkomen vormt, zodat de paardentak en het pluimveebedrijf niet samen één onderneming vormen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant is het daarmee eens en verklaart het beroep van X ongegrond.

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat in 2012 redelijkerwijs niet te verwachten was dat met de paardenactiviteiten voordeel kon worden behaald. De feiten en omstandigheden in de jaren na 2012 bevestigen dat. Op grond van art. 3.54 Wet IB 2001 kan X geen HIR vormen. Het hof oordeelt verder dat art. 3.64 Wet IB 2001 niet de mogelijkheid biedt de doorschuiffaciliteit toe te passen bij gedeeltelijke staking. Daarom dient het hof te beoordelen of de akkerbouwtak en het pluimveebedrijf samen één onderneming vormen. Het hof stelt vast dat medewerkers van X werkzaamheden verrichten voor beide activiteiten, X leiding geeft over de twee activiteiten en de machines gebruikt worden voor beide activiteiten. Er is één bankrekening en één gezamenlijke administratie en beide activiteiten zijn agrarisch van aard. Het hof oordeelt daarom dat sprake is van één onderneming voor de akkerbouw en het pluimveebedrijf. Dit betekent dat met de verkoop van het pluimveebedrijf de onderneming van X gedeeltelijk is gestaakt zodat art. 3.64 Wet IB 2001 geen mogelijkheid biedt tot een doorschuiffaciliteit. Het hof verklaart het hoger beroep van X ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Lees ook het thema Herinvesteringsreserve: onbelaste boekwinst voor herinvesteren in nieuwe bedrijfsmiddelen

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.64

Wet inkomstenbelasting 2001 3.54

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Informatiesoort: VN Vandaag

Editie: 22 augustus

Rubriek: Inkomstenbelasting

  706
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen