De Kennisgroep winstbepaling stelt dat in het kader van de winstbepaling in de vennootschapsbelasting de kwijtscheldingswinstvrijstelling voorrang heeft op de earningsstrippingmaatregel.

In de voorgelegde casus is sprake van een samenloop van de kwijtscheldingswinstvrijstelling en de earningsstrippingmaatregel. Ook is er een jaarverlies in het jaar van kwijtschelding. In het kader van de winstbepaling rijst de vraag in welke volgorde de bepalingen moeten worden toegepast. De volgorde volgt uit de wetssystematiek voor de winstbepaling in de Wet Vpb 1969. Als er in het jaar van kwijtschelding sprake is van een jaarverlies dient eerst dit verlies en overige bestaande compensabele verliezen worden verrekend. Hierna wordt de kwijtscheldingswinstvrijstelling toegepast. Bij de earningsstrippingmaatregel wordt voor bepaling van de gecorrigeerde winst de winst voor toepassing van de giftenaftrek als uitgangspunt genomen, waardoor vrijgestelde inkomsten niet meegerekend worden. Hieruit kan worden afgeleid dat de vrijgestelde kwijtscheldingswinst geen deel uitmaakt van de gecorrigeerde winst, aldus de kennisgroep. Dit geldt ook voor de grondslagvermindering uit hoofde van de innovatiebox, voordelen uit hoofde van deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is en winsten waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is.

Wetsartikelen:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15b

Wet inkomstenbelasting 2001 3.13

[Nieuwsbron]

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 21 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

745

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen