Hof Amsterdam stelt de waarde van de showroom in goede justitie vast op € 925.000. De correctie van de inspecteur is te hoog. Door zijn schatting van de belastbare winst te baseren op het taxatierapport van de Belastingdienst heeft de inspecteur de grenzen der redelijkheid overschreden.

Belanghebbende, X bv, verhuurt onroerende zaken. Het uiteindelijke belang in X bv berust bij A, zijn broer en F, de accountant. Na het overlijden van F medio 2010 en de ernstige ziekte van de broer, komt het dagelijkse reilen en zeilen van de onderneming volledig bij A terecht. In verband met liquiditeitstekorten bij X bv toont A zich in 2014 bereid om een pand (showroom) van X bv over te nemen voor € 670.000. Deze showroom is in 2004 door X bv gekocht voor € 1,5 mln. In 2017 wordt in een controlerapport waardeonderzoek een waarde vastgesteld van € 950.000. Naar aanleiding van het waardeonderzoek, stelt de inspecteur een boekenonderzoek in en laat hij een taxatie uitvoeren. De waarde van de showroom wordt getaxeerd op € 1,5 mln. De inspecteur is van mening dat X bv een winstuitdeling van € 475.000 heeft gedaan en corrigeert de VPB-aangifte.

Hof Amsterdam stelt de waarde van de showroom in goede justitie vast op € 925.000. De correctie van de inspecteur is te hoog. Door zijn schatting van de belastbare winst te baseren op het taxatierapport van de Belastingdienst heeft de inspecteur de grenzen der redelijkheid overschreden. Dat rapport kan niet tot uitgangspunt worden genomen, omdat diverse feitelijke veronderstellingen waarop het is gebaseerd aanvechtbaar dan wel onjuist zijn. Zo gaat het rapport er ten onrechte vanuit dat het gehele pand is verhuurd. Bij zijn schatting houdt het hof rekening met de onjuistheden uit het rapport.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting

Editie: 29 april

Informatiesoort: VN Vandaag

  405
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen