Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt in hoger beroep dat de waardevermindering van een kampeerauto niet vergelijkbaar is met die van een gesloten bestelauto. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

De heer X doet BPM-aangifte voor de registratie van een uit Duitsland afkomstige kampeerauto. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van € 3478, aangezien de afschrijving door X is gebaseerd op het waardeverloop van een gesloten bestelauto. Rechtbank Zeeland-West-Brabant geeft X wegens het overschrijden van de redelijke termijn een immateriëleschadevergoeding van € 500. X gaat in hoger beroep.

Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2019/11.1.6) oordeelt dat de waardevermindering van een kampeerauto niet vergelijkbaar is met die van een gesloten bestelauto. Er moet dus wél rekening worden gehouden met de specifieke uitrusting van de kampeerauto. In aanmerking nemende dat de auto slechts zeven maanden oud is en 7390 km’s  heeft gereden, is de door de inspecteur toegepaste afschrijving van 25,75% niet te laag. Het beroep van X is ook voor het overige ongegrond.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen

Informatiesoort: VN Vandaag

Editie: 14 mei

  130
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen