Werknemers krijgen in Nederland meer invloed, bijvoorbeeld door de Wet werken waar je wilt die de Tweede Kamer onlangs heeft aangenomen. Als deze wet ook door de Eerste Kamer komt, krijgt de werknemer meer invloed op de plaats waar de arbeid wordt verricht.

Gelukkig zijn de scherpe kantjes van dit wetsvoorstel gehaald (over die kantjes heb ik op deze plaats al eens eerder geschreven in V-N 2021/9.0). Het nu aangenomen wetsvoorstel regelt dat, als de werknemer verzoekt om aanpassing van de arbeidsplaats, hij (of zij) kan kiezen tussen de werklocatie van de werkgever of het adres dat is geregistreerd als het woonadres van de werknemer. De exotische variant (denk aan de workation op Bali) valt daarmee niet langer onder dit wetsvoorstel. Ook is het gemakkelijker geworden voor de werkgever om een verzoek af te wijzen. Dit kan op grond van redelijkheid en billijkheid, waardoor niet langer een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is vereist. Hoewel minder dan in het oorspronkelijke voorstel, krijgt de werknemer dus meer invloed.

De positie van de werknemer ten opzichte van de werkgever wordt ook versterkt door de invoering van de Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Doel van die wet is om de inhoud van het werk vooraf transparanter en voorspelbaarder te maken. Naast uitbreiding van de informatieverplichting voor werkgevers worden ook de mogelijkheden om scholingskosten te verhalen op de werknemer beperkt. Bovendien moet de werknemer de scholing tijdens werktijd kunnen volgen. Dat laatste zou trouwens bij veel kantoren nog wel eens tot discussie kunnen leiden over het tijdstip, waarop PE-sessies worden gehouden. De werkgever mag ook niet langer nevenwerkzaamheden verbieden, tenzij er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond.

Naast deze twee wetsvoorstellen die de positie van de werknemer ten opzichte van de werkgever versterken, is er nog de reeks overwinningen van de vakbonden in de strijd tegen schijnzelfstandigheid. Waarvan de meest recente overigens nog niet definitief is beslist, maar met de conclusie van A-G De Bock (V-N 2022/34.8) die het met hof en de rechtbank eens is dat de bezorgers van Deliveroo in civielrechtelijke dienstbetrekking staan, lijkt dat oordeel onafwendbaar (wellicht dat het aangekondigde vertrek van Deliveroo uit Nederland hiermee heeft te maken heeft). Na de eerdere overwinningen van de FNV in zaken rond Uber (Rechtbank Amsterdam 13 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5029) en Helpling (Hof Amsterdam 21 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2741) opnieuw een belangrijke stap voor de vakbond in het bestrijden van schijnzelfstandigheid.

Tot slot wordt er op EU-vlak gewerkt aan een richtlijn voor platformwerkers, met als voornaamste doel om deze groep meer mogelijkheden te geven om hun (arbeids)rechten te effectueren, bijvoorbeeld door de introductie van een specifiek voor platformwerkers geldend een weerlegbaar rechtsvermoeden van een dienstbetrekking. Het kabinet steunt deze ontwikkeling (zie V-N 2022/34.7). Al met al krijgen werknemers in Nederland dus meer invloed. Via de wetgever, de rechtspraak en vanuit Brussel. Of dat een positieve ontwikkeling is, laat ik graag aan de lezer over. Het is natuurlijk maar net welke pet die op heeft.

Rubriek: Arbeidsrecht

Informatiesoort: Uitvergroot

  432
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen
MUST READ, COLUMNS