Rechtbank Rotterdam oordeelt dat het beroep dat is ingesteld tegen de aanslag 2019 prematuur is en niet-ontvankelijk is.

Belanghebbende, X, is eigenaar van een winkelruimte. Aan haar zijn WOZ-beschikkingen, aanslagen OZB en zuiveringsheffing bedrijfsruimte voor meerdere jaren opgelegd. Tegen deze aanslagen heeft X bij brief van 11 januari 2019 in één geschrift bezwaar gemaakt. Op 28 februari 2019 heeft de heffingsambtenaar een gecombineerde aanslag opgelegd voor OZB eigenaar/gebruiker, rioolheffing, watersysteemheffing eigenaar en zuiveringsheffing bedrijfsruimte. In geschil is of de aanslagen terecht zijn opgelegd. Tevens is in geschil de hoogte van de dwangsom.

Rechtbank Rotterdam oordeelt dat het beroep dat is ingesteld tegen de aanslag 2019 prematuur is en niet-ontvankelijk. X stelt dat de aanslagen OZB en zuiveringsheffing niet tijdig zijn opgelegd. Deze grief slaagt niet omdat de aanslag kan worden opgelegd drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Ook de beroepsgrond dat viermaal een dwangsom moet worden toegekend omdat sprake zou zijn van vier aparte beschikkingen, faalt. Vaststaat dat X één bezwaarschrift heeft ingediend dat gericht is tegen meerdere beschikkingen. De heffingsambtenaar heeft terecht eenmaal een dwangsom toegekend van € 427.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 6

Algemene wet bestuursrecht 4

Gemeentewet 228

Gemeentewet 220

Algemene wet inzake rijksbelastingen 11

Wet waardering onroerende zaken 17

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Rechtbank Rotterdam

Editie: 29 april

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen