Rechtbank Gelderland oordeelt dat de belastingrechter niet bevoegd is om een civielrechtelijke regeling, zoals de Inkomensafhankelijke huurverhoging, buiten werking te stellen. De IAH is namelijk vastgelegd in de artikelen 7:252a en 7:252b BW, zodat de burgerlijke rechter de bevoegde rechter is.

X is het er niet mee eens dat hij verhuurderheffing moet betalen. Hij voert daarbij onder andere aan dat de Inkomensafhankelijke huurverhoging moet worden aangemerkt als verboden staatssteun en daarom buiten werking moet worden gesteld en dat de verhuurderheffing daardoor niet meer voldoet aan de fair balance-toets van art. 1 EP EVRM.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de belastingrechter niet bevoegd is om een civielrechtelijke regeling, zoals de Inkomensafhankelijke huurverhoging, buiten werking te stellen. De IAH is namelijk vastgelegd in de artikelen 7:252a en 7:252b BW, zodat de burgerlijke rechter de bevoegde rechter is. Verder levert het niet heffen van verhuurderheffing bij mede-eigendom geen schending van het gelijkheidsbeginsel op. Mede-eigendom en vol eigendom zijn namelijk geen gelijke gevallen voor de verhuurderheffing. Ook de verhoging van de vrijstelling van verhuurderheffing van 10 naar 50 sociale huurwoningen is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er is geen sprake is van selectieve begunstiging, omdat alle verhuurders recht hebben op de vrijstelling. De beroepen van X worden ongegrond verklaard.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet maatregelen woningmarkt 2014 II 1.4

Wet maatregelen woningmarkt 2014 II 1.3

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Verhuurderheffing

Instantie: Rechtbank Gelderland

Editie: 23 augustus

7

Gerelateerde artikelen