Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de toerekening van rente aan de vaste inrichting, de (samenhangende) waardering van vorderingen en schulden en de vaststelling van onderlinge verrekenprijzen onjuist heeft plaatsgevonden en laat de door de inspecteur aangebrachte correcties deels in stand.

X bv vormt samen met haar dochtervennootschappen A bv en B bv een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. X bv participeert als commanditair vennoot in A cv. D bv is beherend vennoot van A cv. X bv houdt 50% van de aandelen in D bv. X bv heeft € 174.701.000 kapitaal en knowhow ingebracht in A cv. X bv heeft hiervoor € 175.000.000 geleend van SA 1. SA 1 is een 100% dochtervennootschap van X bv. In 2012 betaalde X bv € 14.277.000 rente aan SA 1. Ter zake van de toepassing van de objectvrijstelling is in geschil of de toerekening van rente aan A cv juist heeft plaatsgevonden. De inspecteur stelt dat de betaalde rente van € 14.277.000 toerekenbaar is aan de A cv (de vaste inrichting).

X bv heeft ultimo 2012 diverse vorderingen en schulden in USD op haar balans. X bv heeft valutatermijncontracten afgesloten ter afdekking van het valutarisico. X bv waardeert de vorderingen en schulden in USD tegen historische kostprijs of lagere bedrijfswaarde. Valutawinsten en -verliezen rekent X bv geheel tot haar belastbare winst. De inspecteur stelt dat de vorderingen en schulden in samenhang moeten worden gewaardeerd.

De met X bv gevoegde dochtermaatschappij A bv produceert product X. Dit product verkoopt A bv aan gelieerde verkooporganisaties. De verkoopprijzen zijn vastgelegd in een Master Agreement en zijn afgeleid van de marktprijzen. A bv opent in 2008 een nieuwe fabriek en kan daardoor meer produceren met als gevolg een surplus van 39% van de totale productie. Dit surplus wordt verkocht, tegen van de in de Master Agreement afwijkende verkoopprijzen, aan een gelieerde vennootschap tegen kostprijs vermeerderd met 5% winstopslag. De inspecteur stelt dat het verschil tussen de gehanteerde verkoopprijs en de verkooprijs voortvloeiende uit de Master Agreement tot de winst van A bv moet worden gerekend.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt ten aanzien van de toerekening van de rente en vreemd vermogen aan de vaste inrichting dat deze toerekening jaarlijks risico-gewogen moet plaatsvinden. Hierbij overweegt de rechtbank dat de toerekening van rente plaatsvindt met als doel de vaststelling van het belastbaar bedrag van de fiscale eenheid en dat de toerekening daarom dient te geschieden op het niveau van de fiscale eenheid en niet op vennootschapsniveau. De rechtbank stelt, risico-gewogen, de toerekening vast op 75% eigen vermogen en 25% vreemd vermogen.

Ten aanzien van het geschil betreffende de samenhangende waardering oordeelt de rechtbank dat de bewijslast dat vorderingen en schulden niet individueel moeten worden gewaardeerd op de inspecteur rust. De rechtbank beoordeelt, aan de hand van de criteria uit het cacaobonenarrest, per positie of er sprake is van een verplichte samenhangende waardering. De inspecteur slaagt deels in zijn bewijslast. Het beroep is deels ongegrond.

Ten aanzien van het transferpricinggeschil stelt de rechtbank voorop dat X bv heeft voldaan aan haar documentatieverplichting. Het ligt op de weg van X bv aannemelijk te maken dat een van de Master Agreement afwijkende verkoopprijs zakelijk is. X bv slaagt niet in deze bewijslast. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur heeft X bv niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde verrekenprijs zakelijk is. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Lees ook de thema's Verrekenprijsregels en Vaste inrichting: Grensoverschrijdende activiteiten belast in het buitenland.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.25

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15e

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8b

Rubriek: Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

Editie: 15 januari

Focus: Focus

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Carrousel: Carrousel

  457
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen