Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X de borgstelling als enig aandeelhouder is aangegaan, zodat het borgstellingsverlies niet aftrekbaar is.

X stelt zich jegens de bank voor € 120.000 borg voor de financiering van twee BV’s, waarvan hij (middellijk) enig aandeelhouder is. De BV's zijn in 2014 ontbonden. In 2016 sluit X een vaststellingsovereenkomst met de bank, waaruit volgt dat hij € 35.000 aan de bank betaalt en dat de resterende borgtochtschuld buiten invordering blijft. In geschil is of X in verband met die betaling terecht een aftrekbaar borgstellingsverlies claimt. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant maakt de inspecteur aannemelijk dat de borgstelling onzakelijk was. In hoger beroep stelt X dat zijn (inmiddels ex-)schoonvader zich ook borg had gesteld voor de BV's.

Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X de borgstelling als aandeelhouder is aangegaan, zodat het borgstellingsverlies niet aftrekbaar is. De (ex-)schoonvader is geen “onafhankelijke derde” (zie HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2984, V-N 2014/54.12) gelet op de familierelatie ten tijde van het verstrekken van de borgstelling. Bovendien had de (ex-)schoonvader zich slechts voor € 25.000 borg gesteld. De borgstellingen zijn dus niet vergelijkbaar. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.92

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 20 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

335

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen