Rechtbank Den Haag oordeelt dat de heffingsambtenaar uitspraak mocht doen op het parkeerbelastingbezwaar zonder X te horen.

X komt in bezwaar en beroep tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de heffingsambtenaar uitspraak mocht doen op het parkeerbelastingbezwaar zonder X te horen. Bij zijn oordeel dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. X heeft in bezwaar aangevoerd 1) dat de aanslag door een onbevoegde ambtenaar is opgelegd en 2) dat de straat waarin is geparkeerd niet is aangewezen en gepubliceerd in de verordening. De heffingsambtenaar heeft X stukken gestuurd waaruit het tegendeel blijkt en hem vier weken tijd gegund om het bezwaar nader te motiveren. X heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden stelt de heffingsambtenaar terecht dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat geen verplichting tot horen bestaat. De rechtbank is het wel met X eens dat de uitspraak op bezwaar is genomen door een onbevoegd bestuursorgaan. Dit bevoegdheidsgebrek is voor het onderzoek ter zitting hersteld door de gemeente. Voor de rechtbank is dit aanleiding om X een proceskostenvergoeding van € 1.575 toe te kennen.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 7:3

Gemeentewet 231

Gemeentewet 225

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 28 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

  281
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen