De Hoge Raad komt terug op zijn oordeel dat inhield dat een huurder die van de gemeente een WOZ-beschikking ontvangt ook automatisch belang heeft bij bezwaar en beroep.

X maakt als huurder van een woning bezwaar tegen de WOZ-beschikking. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar ongegrond, waarna X in beroep en hoger beroep gaat. Rechtbank Overijssel en Hof Arnhem-Leeuwarden oordelen dat het beroep ongegrond is, gelet op het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb.

De Hoge Raad komt terug op zijn oordeel dat inhoudt dat een huurder die van de gemeente een WOZ-beschikking ontvangt automatisch belang heeft bij bezwaar en beroep. In het arrest van 20 maart 2020, V-N 2020/15.18 overwoog de Hoge Raad dat iedereen die een WOZ-beschikking van de gemeente krijgt, geacht wordt daarbij belang te hebben. De Hoge Raad ging er vanuit dat gemeenten huurders die geen belang hebben ook geen WOZ-beschikking zou sturen maar slechts een afschrift van de WOZ-beschikking die ten name van de eigenaar is genomen. Die handelwijze blijkt echter op praktische problemen te stuiten. Om procedures te vermijden van woninghuurders die geen materieel belang hebben, aanvaardt de Hoge Raad nu een uitzondering op het in het arrest van 20 maart 2020 genoemde uitgangspunt in gevallen waarin uit de vaststaande feiten voortvloeit dat de gebruiker door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. In die gevallen moet worden aangenomen dat een rechtsmiddel niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. In deze procedure staat vast dat X geen belang heeft; de heffingsambtenaar had het bezwaar dus niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van ongegrond. Ook het oordeel van het hof, dat het hoger beroep ongegrond achtte wegens strijd met het relativiteitsvereiste, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Tot cassatie kan dit echter niet leiden omdat ook een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in de weg staat aan een oordeel over de door X bepleite verlaging van de WOZ-waarde, zodat met cassatie op deze grond geen redelijk belang zou zijn gediend.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet waardering onroerende zaken 24

Wet waardering onroerende zaken 17

Algemene wet bestuursrecht 8:69a

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 11 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

1037

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen