De Hoge Raad oordeelt dat door toepassing van het tarief van 2012 is gewaarborgd dat X bv niet meer BPM betaalt dan de laagst mogelijke rest-BPM dat geacht wordt te zijn begrepen in de handelsinkoopwaarde van een gelijksoortige, reeds in Nederland geregistreerd auto.

X bv doet in maart 2014 BPM-aangifte voor een uit Duitsland afkomstige personenauto. De auto heeft aldaar als datum van eerste toelating 27 februari 2013. Volgens Hof 's-Hertogenbosch claimt X bv daarom met succes toepassing van het historische tarief van 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012. Bij auto’s die binnen twee maanden na een tariefsverhoging voor het eerst in Nederland zijn geregistreerd, mag de BPM namelijk worden berekend op grond van het lagere voorafgaande tarief. Het is niet uitgesloten dat zich op de Nederlandse markt referentievoertuigen bevinden die zijn ingeschreven in de eerste twee maanden van 2013 en waarop het tarief van 2012 is toegepast. De Staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat door toepassing van het tarief van 2012 is gewaarborgd dat X bv niet meer BPM betaalt dan de laagst mogelijke rest-BPM dat geacht wordt te zijn begrepen in de handelsinkoopwaarde van een gelijksoortige, reeds in Nederland geregistreerd auto. De groep gelijksoortige auto’s hoeft niet beperkt te worden tot auto’s waarvoor het buitenlandse kenteken al is afgegeven in 2012 of die in dat jaar zijn gebouwd. Deze gegevens zijn namelijk niet van invloed op de handelsinkoopwaarde van gebruikte auto’s. Het beroep van de Staatssecretaris is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 110

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 16a

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen

Editie: 4 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

  150
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen