De Hoge Raad oordeelt dat uit het proces verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat aannemelijk is geworden dat die andere btw-aangiften (opzettelijk) onjuist zijn gedaan en evenmin dat de voorzitter van de stichting aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding heeft gegeven.

X is voorzitter van een stichting, die zich inzet voor goede doelen. Als feitelijke leidinggever heeft X vijf onjuiste btw-aangiften van die stichting ingediend. In geschil is of Hof 's-Hertogenbosch bij de strafoplegging terecht rekening houdt met onjuiste aangiften die niet aan X ten laste zijn gelegd. Die andere 39 aangiften kunnen volgens het hof worden beschouwd als omstandigheden waaronder de vijf in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat uit het proces verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat aannemelijk is geworden dat die andere aangiften (opzettelijk) onjuist zijn gedaan en evenmin dat X aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding heeft gegeven. Het arrest is daarom niet goed gemotiveerd (zie HR 19 mei 2020 19/02861, V-N 2020/27.27). Volgt partiële vernietiging – uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging – en terugwijzing.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 69

Instantie: Hoge Raad (Strafkamer)

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Strafrecht

Editie: 10 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

  1142
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen