Rechtbank Gelderland oordeelt dat de geloofwaardige verklaringen van mevrouw X en haar ex-partner, in combinatie met en ondersteund door objectieve stukken, voldoende zijn voor het aannemelijk maken dat de auto X niet eerder feitelijk ter beschikking heeft gestaan.

Mevrouw X woont in Nederland en wordt door de politie op 25 februari 2019 aangetroffen als bestuurder van een auto met Belgisch kenteken. De auto is sinds 9 april 2018 eigendom van haar in België wonende ex-partner. In geschil is de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 9 april 2018 tot en met 24 februari 2019, alsmede de 100% verzuimboete van € 1479. Volgens X en haar ex heeft zij de auto enkel op 25 februari 2019 gebruikt omdat ze met hun kinderen op kerkbezoek was en hij door een plotselinge ziekte niet in staat was de auto te besturen. Daarnaast blijkt uit diverse stukken - zoals een aanrijdingsformulier - dat de auto daadwerkelijk in België door hem wordt gebruikt.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de geloofwaardige verklaringen van X en haar ex, in combinatie met en ondersteund door objectieve stukken, voldoende zijn voor het aannemelijk maken dat de auto X niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan vóór 25 februari 2019. In deze specifieke omstandigheden kan van X niet méér bewijs worden verlangd. De stellingen van de inspecteur, die er op neerkomen dat sprake moet zijn van sluitend bewijs, zijn onjuist (zie HR 5 april 2019, 18/02987, V-N 2019/19.16). Het beroep van X is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 34

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 13

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 7

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen

Instantie: Rechtbank Gelderland

Editie: 23 maart

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen