Staatssecretaris Van Rij van Financiën heeft de Eerste Kamer uitgelegd waarom hij ervoor heeft gekozen om bij beleidsbesluit de BTW op de levering van elektriciteit en gas te verlagen voordat dit bij wet geregeld is.

Op 21 juni 2022 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet aanvullende fiscale koopkrachtmaatregelen 2022 (36088) aangenomen. Dit wetsvoorstel voorziet in terugwerkende kracht tot 1 juli 2022 om de BTW-maatregel van kracht te laten zijn in de door het kabinet beoogde periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022. Voor energieleveranciers is het belangrijk rechtszekerheid te hebben met betrekking tot het BTW-tarief dat van toepassing is op de leveringen van elektriciteit en gas die zij op en na 1 juli verrichten.

Deze BTW-maatregel is op korte termijn tot stand gekomen om nog gedurende 2022 de effecten van de huidige prijsstijgingen als gevolg van de energiecrisis te dempen. Om te voorkomen dat bij energieleveranciers onzekerheid ontstaat of deze maatregel daadwerkelijk per 1 juli 2022 van kracht wordt, heeft de staatssecretaris een beleidsbesluit voorbereid. Daarmee bewerkstelligt het kabinet dat de consument al in 2022 van de beoogde demping van de energieprijzen profiteert. Het goedkeurende beleidsbesluit dat vooruitlopend op wetgeving is genomen vindt zijn basis in art. 63 AWR (hardheidsclausule). Door de terugwerkende kracht die dit wetsvoorstel tot wet verheft op het moment dat het in het Staatsblad wordt gepubliceerd, is deze maatregel gebaseerd op een wet in formele zin en daarmee niet in strijd met artikel 104 van de Grondwet. Verwerping van het wetsvoorstel betekent dat het vertrouwen dat het beleidsbesluit wekt zal moeten worden opgezegd met toepassing van een redelijke opzeggingstermijn. In voorkomend geval zal de bewindsman met de energieleveranciers in overleg treden.

Het kabinet vindt net als de Afdeling Advisering van de Raad van State dat meer terughoudendheid geboden is bij het gebruik van goedkeurende beleidsbesluiten die vooruitlopen op codificatie. Om die reden wordt er een kader uitgewerkt waarin uiteen wordt gezet onder welke voorwaarden het aanvaardbaar wordt geacht om beleidsbesluiten in te zetten. Het kabinet wil dit kader zo spoedig mogelijk en daarmee ook voor de behandeling van het Belastingplan 2023 aan zowel de Tweede als de Eerste Kamer aanbieden.

[Nieuwsbron]

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Omzetbelasting

Regelgevende instantie: Ministerie van Financiën

Editie: 30 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

  316
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen