Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de enkele stelling dat haar echtgenoot hartklachten, waaronder een infarct, heeft gehad, niet de conclusie rechtvaardigt dat X niet in verzuim is geweest met het te laat indienen van de bezwaren en de verzoeken om ambtshalve vermindering. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Aan X zijn over 2011 tot en met 2014 aanslagen in de IB-sfeer opgelegd. Pas in 2020 zijn hiertegen bezwaarschriften ingediend. In geschil is of haar bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn van zes weken en of de verzoeken tot ambtshalve vermindering ook terecht zijn afgewezen omdat deze buiten de vijfjaarstermijn zijn ingediend. Rechtbank Gelderland stelt de inspecteur in het gelijk. X gaat in hoger beroep.

Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2023/58.1.1) oordeelt dat de enkele stelling dat haar echtgenoot (zie 21/00965) hartklachten, waaronder een infarct, heeft gehad, niet de conclusie rechtvaardigt dat X niet in verzuim is geweest met het te laat indienen van de bezwaren en de verzoeken om ambtshalve vermindering. Het feit dat de ontvanger zich mogelijk niet aan de wettelijke termijnen zou hebben gehouden, is niet van invloed op de vraag of de te late indiening van de bezwaren en verzoeken verschoonbaar zijn. Het beroep van X is ongegrond. X gaat in cassatie, maar motiveert het beroep te laat. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 9.6

Algemene wet bestuursrecht 6:11

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 1 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

346

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen