Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat evenals in voorgaande jaren de gemeente niet aannemelijk maakt dat de dotaties aan de reserve en voorziening rioolheffing aangemerkt kunnen worden als “last ter zake”. Dit betekent dat er sprake is van een limietoverschrijding van meer dan 10%. De verordeningen zijn onverbindend, de aanslagen komen daarom te vervallen.

X is een woningcorporatie die het niet eens is met aanslagen rioolheffing van € 373.174 (2015) en € 362.829,83 (2016).

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat evenals in voorgaande jaren de gemeente niet aannemelijk maakt dat de dotaties aan de reserve en voorziening rioolheffing aangemerkt kunnen worden als “last ter zake”. Over voorgaande jaren heeft de rechtbank al geoordeeld dat dit niet het geval is en dit oordeel is bevestigd door de Hoge Raad (HR 27 september 2019, V-N 2019/46.20 en later HR 15 november 2021, V-N 2021/48.22.8). Gesteld noch gebleken is dat er voor de jaren 2015 en 2016 sprake is van nadere, onderbouwende stukken die nopen tot een ander oordeel. Dat de naam van de begrotingsposten is veranderd doet niet ter zake, het gaat erom of er een cijfermatige aansluiting kan worden gevonden tussen de betreffende dotaties enerzijds en de in de begroting opgenomen vervangingsinvesteringen en/of onderhoudskosten anderzijds. De rechtbank is niet gebleken dat die cijfermatige aansluiting er nu is. De rechtbank oordeelt dat de dotaties niet kunnen worden aangemerkt als last terzake. Dit betekent dat er sprake is van een limietoverschrijding van meer dan 10%. De verordeningen zijn onverbindend, de aanslagen komen daarom te vervallen.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Gemeentewet 228a

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Belastingen van lagere overheden

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Editie: 12 april

6

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen