De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur bij het opvragen van informatie ex. art. 47 AWR gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een informatiebeschikking kan niet in stand blijven als het evenredigheidsbeginsel is geschonden.

X stond tot 1987 ingeschreven in Nederland. In de jaren 2009 t/m 2012 staat X ingeschreven in Curaçao waar hij beschikt over woon- en kantoorruimte. X huurt verder woon- en kantoorruimte in België en bezit (middellijk) een woning in Frankrijk. Er zijn echter ook aanknopingspunten met Nederland. Dat is voor de inspecteur reden om nader te onderzoeken of X in Nederland woonde en dus is aan te merken als binnenlands belastingplichtige. De inspecteur legt aan X uiteindelijk een informatiebeschikking op met 18 afzonderlijke vragen. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch was het opvragen van bewijsstukken over door X genoten inkomsten, alle bankafschriften en afschriften met betrekking tot creditcards, de (privé)agenda en andersoortige vastleggingen van (privé)afspraken en rekening-courantboekingen tussen X en de vennootschappen en stichtingen waarbij hij was betrokken, niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel was wel sprake voor zover gevraagd werd om afschriften van de eigendomsbewijzen van alle door X gehouden bezittingen, omdat die bewijzen alleen aan de orde komen indien discussie zou ontstaan over de vraag of X daadwerkelijk eigenaar was van die vermogensbestanddelen, wat zich niet heeft voorgedaan.

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur bij het opvragen van informatie ex. art. 47 AWR gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een informatiebeschikking kan niet in stand blijven als het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Een dergelijke schending doet zich voor als de inspecteur redelijkerwijs niet heeft kunnen oordelen dat sprake was van evenredigheid tussen het doel en de gevolgen van het aangewende middel (vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr. 5, blz. 55-57). Het hof heeft geoordeeld dat de inspecteur voor wat betreft één van de gestelde vragen wel en voor wat betreft een aantal andere vragen niet heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van de hiervoor beschreven rechtsregels, en berust voor het overige op de aan het hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Die is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a

Algemene wet inzake rijksbelastingen 47

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 20 april

Informatiesoort: VN Vandaag

  352
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen