Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur de door hem gehanteerde waarden voor de participaties in D niet aannemelijk maakt. De waarde-overzichten waar de inspecteur zich op baseert zijn te hoog. De door D zelf gepresenteerde waarden zijn ook niet realistisch.

Belanghebbende, X, koopt voor in totaal € 572.700 participaties in teakboomplantages in Brazilië en Costa Rica van C en D. In zijn IB-aangiften 2015 en 2016 kent X geen waarde toe aan de participaties. In geschil is de waarde van de participaties voor de vermogensrendementsheffing. De inspecteur is van mening dat de waarde van de participaties € 682.000 (2015) en € 770.000 (2016) bedraagt en baseert zich daarbij onder andere op de vaststellingsovereenkomst met de Vereniging voor Teakhoutparticipanten.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur de door hem gehanteerde waarden voor de participaties in D niet aannemelijk maakt. De waarde-overzichten waar de inspecteur zich op baseert zijn te hoog. De door D zelf gepresenteerde waarden zijn ook niet realistisch. De rechtbank wijst daarbij op de aanzienlijke waardedaling van de participaties in de periode 2015/2016 - 30 juni 2018 en het uiteindelijke faillissement in 2020. Verder is er geen verklaring waarom een aanzienlijke waardedaling heeft plaatsgevonden en is ook niet duidelijk op welk moment de waarde precies is gedaald. Tevens wijst de rechtbank er op dat het vermoeden bestaat dat sprake is van wanbeheer en dat vermogen aan het fonds is onttrokken en dit reeds in de jaren 2015 en 2016 gaande was. De rechtbank stelt de waarde voor beide jaren in goede justitie vast op € 300.000.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 5.3

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 21 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

  446
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen