Hof Den Haag oordeelt dat sprake is van een bos in de zin van de bosbouwvrijstelling en het bos in stand wordt gehouden. X bv heeft recht op toepassing van de bosbouwvrijstelling.

X bv verkoopt snoeisel van de Taxus Baccata of venijnboom t.b.v. de farmaceutische industrie, die het verwerkt tot medicijnen tegen kanker. De venijnboom is een conifeerachtige plant die ruim 12 meter hoog kan worden. Echter, binnen de onderneming van X bv zijn de venijnbomen (hierna: de planten) op percelen aangeplant en worden de jonge twijgjes ieder jaar teruggesnoeid tot op het hout van het vorige jaar, waardoor de planten niet hoger dan 80 tot 90 centimeter worden. X bv verzoekt voor de winst die is behaald met de verkoop van het snoeisel om toepassing van de bosbouwvrijstelling. De inspecteur weigert de vrijstelling omdat volgens hem de lage planten geen bos kunnen zijn. X bv gaat in beroep. Als Rechtbank Den Haag de beroepen van X bv gegrond verklaart, stelt de inspecteur hoger beroep in.

Hof Den Haag oordeelt dat uit het feit dat de venijnbomen niet tot volle wasdom komen doordat zij kort gehouden worden, er niet aan in de weg staat om van een bos in de zin van de bosbouwvrijstelling te spreken. Ook aan de eis van instandhouding van de houtopstand is voldaan. Het hof oordeelt dat X bv terecht aanspraak maakt op de bosbouwvrijstelling en verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.11

Instantie: Hof Den Haag

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 1 februari

Dossiers: Agro

  389
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen